Niets beweegt.
Ik schrijf. De ooit versteven lust vindt z'n weg. Ze bevloeit het slorpende papier, dat, eens gedroogd, bedenkelijke rimpels vertoont. Met de drogende inkt damp ook ik naar een andere gedaante. Ik reis naar de grenzen van m'n fantasie.
Niets beweegt.
Ik slaap. Het 'zijn' verlaat me. Enkel de ruis waarin ik adem doet vermoeden dat ik 'ben'. Ik voed m'n hoofd, beladen met de leegte van m'n bestaan. Ik luister. De droom spreekt.
Niets beweegt.
M'n rust is de onrust waarin ik leef.
RV39