Populaire berichten

donderdag 29 december 2011

Wensen

Een nieuw jaar. Een nieuwe naam. Een moment van even stilstaan.

Mijn wens voor jou is dan ook dat je elke dag es mag stilstaan bij je leven.
Verwarm je aan elk mooi moment, dompel je in de zachtheid van de tijd.
Neem de warmte op en spreid ze over je omgeving heen.
Omringd door deze zaligheid wordt je levenswandel een zalig zweven.

Deel. Geef. Neem in dank aan wat je krijgt.
Speel. Beleef. Laat af en toe iets aan het toeval over.
Ook wat spontaan ontluikt zal bloeien.
Laat je verrassen. Drink wat het leven schenkt.

Mag deze jaarovergang een stap zijn richting je dromen.
Bouw eraan, steen voor steen het geluk spenend.
Groei. Al moet daar es voor worden gekrompen.
Wees groot in het klein zijn. En bovenal: Houd het fijn.

Het beste voor 2012!

RV39

dinsdag 20 december 2011

Naar Gods voorbeeld.

Ik huil ik beweeg ik hoest ik drink.
Ik hoor ik zie ik proef ik voel ik spreek.
Ik preek ik sla en zalf mezelf ik ontleef ik zweef.
Ik groet ik bloed ik ontwroet deze planeet.

Naar Gods voorbeeld strooi ik me in de vleugels van de Engel neer.
Dit leven over het leven gestegen proeft naar meer.

De aarde tussen de tenen ontsnap ik aan m'n eigen benen.
Door muren, bergen. M'n schreden kennen geen wegen.

Ik denk ik weet ik ben ik vergeet.
Ik snars er geen snap van.
Ik wiel de vijfde wagen.
Ik wijs ik verblijd ik krijs ik geeuw.

Naar Gods voorbeeld strooi ik me in de vleugels van de Engel neer.
Dit leven over het leven gestegen proeft naar meer.

woensdag 7 december 2011

Onrust

Thuiskomst. De toegang sluit zich achter me. Met het slot wordt ook m'n angst vergrendeld. Deze thuis, een leegte. Z'n warmte druipt uit de muren als condensdruppels van een ruit. De kamer huilt met me mee.
Niets beweegt.

Ik schrijf. De ooit versteven lust vindt z'n weg. Ze bevloeit het slorpende papier, dat, eens gedroogd, bedenkelijke rimpels vertoont. Met de drogende inkt damp ook ik naar een andere gedaante. Ik reis naar de grenzen van m'n fantasie.
Niets beweegt.

Ik slaap. Het 'zijn' verlaat me. Enkel de ruis waarin ik adem doet vermoeden dat ik 'ben'. Ik voed m'n hoofd, beladen met de leegte van m'n bestaan. Ik luister. De droom spreekt.
Niets beweegt.

M'n rust is de onrust waarin ik leef.

RV39

dinsdag 29 november 2011

De oude man

Ik beantwoord je vraag naar water
met de korst van m'n stem.
Met trillende hand de kringen rook schrijvend.
De jaren laten wat bezinkt verder drijven.

Een vleug van je adem geeft vleugels.
Gespreid gaan ze strelen
en slaan open tot een vlucht.
't leven wordt pure ontucht.

Je geeft jezelf wat ik niet neem,
vergeeft me om wat ik niet meen.

strevend naar later,
hij grijpt me begrijpend.
Z'n daadkracht: beklijvend.
De jaren laten wat bezinkt verder drijven.

RV39

donderdag 20 oktober 2011

Onder de linde

Onder de linde te rusten.
Zwervend met de wind door het jonge gras.
Mijmerend naar je woorden,
of, hoe je m'n oren kuste.

Ik neem een loop met de tijd,
denk me over gisteren naar later.
Je vloeit uit m'n lijf,
het ontgiftende water.

De vrieskou brengt een glas geluk
halfvol de halflege draak bezwerend.
Het zuur dat we nooit blusten.
Onder de linde te rusten.


RV39

woensdag 12 oktober 2011

Deze duin

Vanop deze duin heb ik je meermaals geschreven.
De pen, zingend met de zee.
Wiegend het helmgras bevelend.
Het eindeloze uitzicht heb ik een blad gegeven.

Ik streek er je wilde haren
met de glans van de zon in je ogen.
Proefde er je zoute huid,
waar ik elke parel vanaf heb gezogen.

's Avonds, onder de naakte maan
rolde ik naar de voet,
om van beneden, jij op je sokkel,
te streven naar je gloed.

Deze duin is waar ik je houd.
Waar ik op wandel doorheen dit liederlijke leven
al reizende rijzen kan.

Je maakt me wijzer, in eenvoud.
Deze duin is waar ik je houd.


RV39

woensdag 5 oktober 2011

De stilte

De stilte.
Je draagt ze als deken.
Ze houdt je warm,
tot 's ochtends de zon je ogen vindt.

De dag doet honger en dorst verslaan.
Z'n vloed likt je tenen.
Elkaar vleiend, hand in hand,
ons de zinnen strelend.

Ik bouw m'n huis op je erf,
zodat je rondom me woont.
Grazend aan je lippen
is 't de ziel die zich ontbloot.

Waar ogen sluiten, openen de handen.
Waar je bloed stroomt, ruist het verlangen.
Waar je stappen staan, veegt de branding.

De stilte,
ze ademt met ons mee,
onzichtbaar omarmend,
behuist ze ons prieel.

RV39

maandag 3 oktober 2011

Celine

Je blik vervloeit.
Het zoute van je tranen,
je ziet ze van dichterbij dan ikzelf.
In hun vloeiend zwoegen willen ze smeken gaan
tot het geluk hen vervoegt.

De wegen van het leven
hebben je eruit geleid.
Wat begon als smekend wenen
heeft je nooit verblijd.

Je blik óvervloeit,
hult zich in satijnen gewaden.
Waar we voorheen hebben gezongen en gezworen
kan enkel de doodse stilte ons nog bekoren.

RV39

Je woorden

Je draagt je leed als een pels,
de omgeving van je afborstelend.
Onder hetgeen je me vertelt
verstar ik, je woorden hebben me bedolven.

Met je scheppen wordt in mij de vlucht geschapen.
Het niet willen zijn is waarin we beiden slapen.


RV39

dinsdag 6 september 2011

De maan

Ik denk : "Ik verlig m'n hele, scheurende leven
onder een laken van glansloos glazuur.
Anders kon ik haar licht wel zien;
Becirkeld over haar littekens, het hellevuur."

Ze groet me met natte borst
die haar zachte voetsporen
over m'n handendal druipen
de kroon op het werk: zoetheid en dorst.

Ik honger haar op,
Plaats haar handen in m'n haar
Zorgeloos over m'n zachte vlees bekommerd:
rafelend, het kleed der licht dat ze draagt.

Even, guur als warmte kan zijn,
Vreet de snoodaard haar op.
Als noodzakelijk vermaak
grijnst de zon haar toe: het genadeschot.

RV39

Vleugels

Ik verrijkte je hand met vleugels.
Zo ging ie in z'n strelen zweven.
Bereikte de bodem van je spreuken.
Met hen kon je me het slapen geven.

Zo verbloemd je woorden,
zo verzoenend ons gesprek.
Zo verstaanbaar je gezegden,
zo verstaand m'n oor te luisteren.

Gedrengd in al waar we van droomden,
leeft heden met ons het beest.
Rillend nat, de ontgoocheling brakend,
over al wat nooit echt is geweest.


RV39
06-09-2011

donderdag 1 september 2011

Deze herfst

Ook na het afsterven van de bladeren
wil ik nog in je groene ogen kunnen kijken.
Een onversneden groente vol begrip.
Met hun puurheid laten ze hun verlangen blijken.

Ik verlaat m’n bad met het zelfontbrandende water,
droog me met de kalk omheen je lippen,
adem hun nevel, dep ze met m’n stem
en sleep me rillend naar de klippen.

Hier overzie ik m’n spijt
Hier berust ik in m’n zijn
Hier zing ik naar de branding van de tijd

Deze herfst heeft me koud gemaakt.
Ze streek me de kilte door de haren.
Daardoor heeft ze me vrij gemaakt.
Met haar grillen maakte ze me de hare.

Het is een tijd van zegevieren en verleiden.
Het buitmaken van het aardse goed.
Wie niet slaagt blijft ontdaan op de vlakte,
enkel vaag gedenkend: het leven in overvloed.

Daar ondergaat men de spot
Daar, in het slijk in de grot
Daar ligt men afgestoten door elke God

Straks zullen we op het gevallen bladerdek rusten gaan,
verenigd in het omhelzen onze adem warmend.
Alles wat ons niet is blijft buiten staan.
Harde tijden hebben hun charmes.

Ook na het afsterven van de bladeren
kijk ik in je groene ogen.
Een groente die me voedt met begrip.
Hun puurheid heeft me meegezogen.

RV39
01-09-2011

The winner takes it all


Aan de bar bij een koffie
en kijkt mij glazig, wazig
naar andere tafels waar
de kaarten verloren liggen


RV39

dinsdag 30 augustus 2011

Ongedwongen varen

De grootste berg beklom ik
om je van verder te zien naderen.
M’n wachten gaf ik je mee als gezel
op je tocht doorheen bossen en wateren.

Fluisterzacht je schreden, alsof ze
in het ochtendgras hopen te spelen.
In je komen delen we een lach,
ons stap voor stap van de afstand helend.

Geef me een niets te verliezen
waarin ik me nestelen kan
tot alle kaarten verloren liggen

Geef me de zekerheid van de tweede kus
waar je alle zonde, elke
tekortkoming mee naar binnen zuigt.

Intussen heb je reeds alle paden betreden
en rust je in de schaduw van ons verleden

Je spuugt wat je ooit oplikte
Je braakt telkens je waakt
Je stilstaan is je vlucht

De grootste berg verleent me de diepste val.
Hoe ver m’n ogen ook reiken, nooit zullen ze je bereiken.
Toch sluit ik ze pas als ze enkel nog kunnen staren,
dromend van een oord waar in stilte drijven
aanvoelt als ongedwongen varen.


RV39

woensdag 24 augustus 2011

Een cliché doorgrond

Liefde vraagt offers. Zoals bergen nood hebben aan dalen om op te rusten, rust de liefde op tegenslag en ontgoocheling. De ware kracht van dit gevoel, van deze onovertroffen energiebron, ligt in de spanning die het onttrekken aan de laagtes met zich meebrengt. Zoals de berg kraakt en worstelt, scheurt en splijt om met z’n kruin de hemel te kussen, vecht ook de liefde zich een baan naar de opperste verlichting. Hij of zij die het wroeten schuwt, vloeit spoedig verbrokkeld en geërodeerd naar zee. Het tranendal der geslagenen. De soep der vernedering, alwaar enkel de beste stukjes nog kunnen dienen als voeding voor de bouwenden.
Soms droom ik er wel eens van om in de woeste baren van deze ellendige vergeetput te belanden. Zwemmend alle viezigheid van de mij omsluitende wateren in me op te nemen en onder de deken van de anonimiteit, in het herzuiverde water, een klein eilandje hemelwaarts te stuwen. Een klein, gezellig warm paradijsje, een zonnige plek met plaats voor twee, waar honger en dorst worden gelaafd met vondsten uit de ons omringende zee. Zo wordt ook die miezerige poel minder diep, wordt het eiland in puurheid gedoopt. De wereld verschoont. Geen berg hoeft m’n geluk te wezen. Een klein, geborgen eiland, rustend tussen offer en geluk is mijn ultieme droom.

Rv39

dinsdag 23 augustus 2011

Ik, die m'n eigen weg (zal) ga (an)

Ik beletter de kalk aan mijn plafond
met de tegels van de tijd.
Kijk terug naar hoe ik m'n jeugd verslond.
De vraatzucht, heden belegen in spijt.

Doch, het tranen heeft niks weggespoeld,
geen katten verbannen van honden.
Enkel duizenden bedden, ik woel,
schreeuw uit miljoenen gravende wonden.

Later, want nu hoor ik niet,
zal ik zelfs mezelf verstaan
en me strelen aan m'n huid zo bitter
dat ik m'n eigen weg zal gaan.


RV39

donderdag 18 augustus 2011

Rozenvensters

Je ogen. Ze staan als rozenvensters in je kathedraal.
Op het vertrouwen in hen zullen we bouwen.
Ik aanhoor hoe ze in koor zingen gaan, samen met je lach.
Hij lijkt uit verlegenheid geboren,
hij lijkt uit je irissen diamanten te houwen.

's Nachts wuif je me toe in m'n dromen
om elke ochtend met me op te staan.
Je bent de gezel die me rust aanjaagt.
Ik voel de vrede in de palm van je hand
en bid je elke dag de weg naar het geluk in te slaan.

M'n wereld heb ik van jou geleerd.
Ginds, in de branding van de tijd.
M'n oren tegen je woorden leunend.
Doch, m'n wereld ligt verzonken,
dit alles ten spijt.


rv39

Gesloten je ogen

Gesloten je ogen telkens je me ontvlucht,
alsof je niet weten wilt waarheen te gaan
dan daar waar je gedachte je leidt.

Vervlogen, telkens je beeld,
dat steeds, na het vertellen van m'n leer,
de deurpost van je aanblik heelt.

Ik sluit de deur achter je aan
na het snuiven van de lucht,
achtergelaten door het waaien van je vlucht.

Spijt heb ik niet,
want je telkens verhuild,
begraaf ik het gemis in de diepte van een kuil.


RV39

donderdag 11 augustus 2011

De degen van dit land is z'n water
echter


échter


Ik vloei van af naar later
vader





rv39

woensdag 10 augustus 2011

Herfstgedachte

Het mooie aan schrijven is dat je als mens op wandel gaat in de tuin van je gedachten.  Schrijven is een krachtig herfstbeeld.  Je rakelt doorheen je ideeën, zuivert ze door het pennen.  Elke schrijver is een bladharker.  Je groeit doorheen je ervaringen een forse boom in je hoofd en laat al schrijvend de bladeren overheen je bladen dwarrelen. 
Een herfstgedachte zit vol warm en koud.  Doorheen het gure weer brandt het aardkleurige landschap.  De onoplettende schrijver loopt het gevaar door die overvloed aan kleur en tint in een kleurloos palet te belanden, alwaar grote tegenstellingen en vage penseelstreken z’n schrijfwerk doen verbleken.  Vol weemoed leest de kleurenblinde schrijver z’n pennestreken en verdrinkt in een gevecht om z’n grijze woorden op te smukken.  Het wordt buigen of barsten.   De literatuur kent geen genade.
De eerste koude nacht van het jaar herken je aan de laatste warme dag.  Hoe vroeg sluit de joelende, wroetende menigte zich dan op, om de steden in een klamme stilte te dompelen.  De steden worden aan de rotvaart der dwarrelende amaranten overgedragen.  De kilte worstelt zich om de mensen heen, graaft zich in in hun verstommende tong.  Ze krimpt de mensen, pakt ze in in een vriezige vacht.  Hoe zuiver ook de lucht, des te stoffiger wordt de mens.
Hoe plots deze wending zich ook lijkt voor te doen, reeds gedurende de dag zit de kalme kilte reeds onder de mensenhuid ingegraven.  Bij de invallende duisternis braakt de koude zich een weg doorheen hun bevende handen.  De mens struikelt over de statige steen waarmee de fundamenten van de winter worden gelegd.  Hun geloof brokkelt weg doorheen hun brokkig bevroren tranen.  Wat overblijft is een ijsberg waaronder ze stevig slapen.  Eenieder schuift aan aan z’n eigen buffet.  Dromeloos, tomeloos, zichzelf opvretend, wachtende in een ovencel op het moment dat niet komt. 
Het invullen van een verlangen is geen eindpunt, het is een noodzaak.  Het creëert nieuwe verlangens, houdt de cyclus in stand.  Enkel zo is een streven naar perfectie mogelijk.  Enkel zo ontstaat kunst.  Enkel zo kleurt de dorre schrijver in een schijnbaar sterven z’n schrijfwerk in.

Rv39

Hartstocht

Begrepen worden is een beetje gegrepen worden.

Men zegt over liefde: het is hartstocht,
Echter, waar tocht welig woedt heerst vrijheid.
Waaien is deels in het rond graaien.

Men grijpt en snijdt de orde tot chaos.
Men beeldt uit wat ingebeeld moet worden.
Men dartelt waar men sluipen moet.

Begrepen worden is een beetje gegrepen worden.
Hartstocht zal nooit tot liefde verworden.


RV39

donderdag 28 juli 2011

Maagd, mijn Ria

Onder het statige gezag
Van de dromende eik
En zie!
De maagden zijn neergekomen
Schrijdende, de witte jurken verloren

Onder het zingen van haar reikende hand
Krachtenloos aanschouw ik haar blik
De voetsporen verkrampt
De maagden zijn reeds genomen
Enkel de dodenpleister zal hun verschonen

RV39

dinsdag 26 juli 2011

De gedachte aan jou

Met de gedachte aan jou ontsteek ik de kaars ven het eeuwige levensvuur.
De rust van de kandelaar als onbreekbaar fundament.
Je drijft mee op de kringen van de dansende rook, zwervend uur na uur.
Het kader: de nacht, waar geuren de kleuren verdijven.

We lopen in cirkels, kronkelen onder elkaars warme deken,
Beluisteren de stilte van bladgeruis en verre streken.
Het is de coïtale lust die ons beiden wekt en in ons weer het spreken schept.
Ik praat je naar de punt van m’n tong. Je luisteren: m’n zielenbron.

Met de gedachte aan jou sluit ik knijpend de hand.
De mousse die ooit je hart was vloeit van tussen de snijdende vingers.
Ik lik het bloed van m’n armen en zuig m’n palmen leeg.
De lach om je mond verraadt de aanblik van een stervende.

Als we nu es zouden wandelen gaan in het bos?
De wierook van de kruiden snuiven.
Ik laat je verdwalen onder het mos,
De smaak van de liefdesmoord over de lippen druipend.

De gedachte aan jou bezorgt me enkel nog een bladluizige jeuk.
Het ijs waarover m’n leven voortgleed breekt en spiegelt zich in de vijvers van je luchtkasteel.
Enkel de cirkels, kronkelende rook van je uitgebluste kaars,
Zullen nog tijdelijk dit paradijs benevelen.


RV39

woensdag 20 juli 2011

San Sebastian

Ik waad doorheen je wateren
Eromheen de barokke gaanderijen
Als wil je de parel omkronen.
De baai van de lust.

Ginds, in de kroon om de vloed
Vloeien tongen in elkaar.
Onder het oog van de Heilige,
Hunner grotte volgelopen

Hoe vermanender de sacrale hand,
Hoe losser de zeden
Ze pompen met de zee
Ze verhitten met de zon

Uit hun sidderen en klotsen
Moet hun samenzijn blijken.
Als de meeuwen in hun krijsende vlucht
Pikkend wat ze aan hun lijf kunnen rijgen

RV39

dinsdag 19 juli 2011

Het wonderbaarlijke verhaal van Zeppie de Zeeduivel

Het relaas dat volgt is een treurig relaas.  Het brengt hoop vanuit het zoute tranendal.  Het is het relaas van de zeeduivel.  Geduldig wachtend op de prooi,  reeds onder de zeebodem begraven.  Slapend de dood tegemoet tredend.  Hengelend naar wat niet komt.
Tot op een dag.  Zeppie besluit zijn leven niet langer hengelend op de donkere zeebodem te slijten.  Hij wil de wereld zien. 
Zeppie wil bergen zien, bergen rijzend naar de zon.  Bergen met toppen scherp als lancetvisjes.  Bergen met rotsen, ruiger en groter dan de walvis z’n speklaag.  Hij wil bomenrijen zien.  Bomenrijen, wuivend naar de wind, als de zeeanemoon naar de golven dansend.  Bomenrijen met stevige stammen en wortels, wroetend in de aarde zoals de zeeduivel zelve.  Zeppie wil de uitgestrekte ijsvlaktes verkennen.  Ijsvlaktes, weidser dan de weidste zandbanken, helderder dan de doorheen het wateroppervlak penetrerende zon.  Ijsvlaktes, zuiverder en witter dan de buik van de allesvretende haai.  Hij wil dalen doorkruisen.  Dalen, dieper dan de trog van de duivelsdriehoek.  Zeppie wil ruiken hoe de bloesems ontluiken, luisteren naar het gezang van de nachtegaal. 
Hij wil voelen hoe veren kittelen en hoe warm het strand kan zijn, maar bovenal : Zeppie wil weten wie en hoe de mensen zijn.  Hij wil ze vertellen wat ze aanrichten met hun verwoestende sleepnetten, wat ze allemaal naar de duivel helpen met hun overbevissing!  Onze zeeduivel moet lachen met z’n woordspeling.  Om zijn droom waar te maken moet Zeppie op zoek naar Martijn, de magische Marlijn.  Die kan hem in een mens veranderen.  “Martijn zal m’n redding zijn”, spreekt Zeppie zich moed in en onze vis zwemt op pad, de Grote oceaan over, alwaar hij hoopt Martijn de magische Marlijn te vinden.
Na een halve dag zingend zwemmen voelt Zeppie plots een vreemde kracht aan zich trekken.   Een kolkende stroom sleept hem mee van de donkere diepten naar het golvende oppervlak en terug.  Wervelend, waaiend  omarmt de zee onze kleine duivel.  Klotsend, botsend, genadeloos schudt het woelwater, die de zee soms wel is, onze kleine held door elkaar.  Zeppie wordt compleet uit koers geslagen.
Door de ruige, jagende storm is Zeppie in warmer water terecht gekomen.  Hij voelt zich een kreeft in een kookpot.  Zeppie wil er snel weg, maar is bang en overdonderd. Hij doet wat zeeduivels vaak doen en graaft zich in.  Vanuit z’n modderige schuilplaats aanschouwt hij de nieuwe wereld om hem heen.  Hij ziet miljoenen duizendkleurige koralen, ruw als de tong van Wally de Vinvis.  Erbovenop honderden zeeanemonen, wiegend, rollend als de daalders uit de hand van de rijkelui.  Allerlei vreemde vissen zwemmen voorbij, gekleed in bonte schubben,  van helder appelblauwzeegroen tot pijnlijk fel oranje.  Iedereen in deze onderwaterwereld spreekt een vreemde taal.  In plaats van “blub blub” zeggen ze “bulb bulb!” 
Ook al is alles in deze wereld zo mooi en wonderbaar, toch is Zeppie doodsbang.  Tevens begint hij ook in z’n modderige schuilplaats te sterk op te warmen.  Hij besluit uit de bodem te kruipen en vinnig verder te zwemmen, teneinde snel koelere en veiligere oorden te vinden.  Meteen na het verlaten van z’n schuilplaats wordt Zeppie hard-tentakelig omarmd en naar een kringvormige tandenrij geduwd.  Zeppie spartelt en slaat, wringt en vecht, maar kan zich onmogelijk bevrijden.  Gelukkig voor Zeppie duikt plots uit een iets verderop liggende kloof een aalachtig monster op dat meteen op Zeppies achtarmige belager afzwemt, en het creatuur in stukken scheurt.  De armen lossen hun greep en Zeppie kan ontsnappen.  “Daar heb je niet van terug, hé, Octopussy!”, roept Zeppie z’n aanrander na, waarna hij pijlsnel weg zwemt.  Zeppies hart klopt in z’n kieuwen.
Even verderop ziet Zeppie een heel vreemde vis voorbij zwemmen.  Een vreemd rond schild maakt een hoornige bult op z’n rug.  Hij lijkt wel bij elkaar gepuzzeld.  Zeppies nieuwsgierigheid haalt het van z’n angst en onze vriendelijke, doch licht-janetterige zeeduivel besluit het creatuur aan te spreken.
-Dag vreemde man.  Ik ben Zeppie de zeeduivel.  Wie ben jij?
- Ik ben geen man.  Ik ben Sandra de schildpad
-Dag vreemde vrouw.  Wat is een schildpad?
-Zoals je kunt zien: een sierlijk dier met een huisje op de rug.  Zo hoef ik nooit te pakken als ik op reis ga.
-Handig zeg.  Zeg, waarom zwem jij eigenlijk steeds naar het wateroppervlak?
-Ik ben eigenlijk een landdier, een reptiel.  Ik zwem naar het oppervlak om lucht te happen.  Ik heb namelijk geen kieuwen zoals jij.
Zeppies vreugde kon niet op.  Hij was zowaar op een wezen gebotst dat op het land was geweest
-Zeg Sandra, hoe is het aan land?  Ben je reeds bij de mensen geweest?
-Zwijg me van het mensdom.  Aan land moet ik gaan om eieren te leggen op het strand, zodoende een kroost te kunnen voortbrengen.  Steevast graven mensen m’n broedsel op.  Nooit of te nimmer ben ik erin geslaagd om kinderen op de wereld te zetten.
Schildpad Sandra barst in tranen uit.  Zeppie bedenkt dat hij het zeewater nog zouter vindt smaken dan anders.  Met een krop in de kieuwen zwemt hij verder, meer dan ooit vastbesloten aan land te gaan en de mensheid voorgoed van z’n vernietigende zonden af te helpen, want Zeppies filosofie is en blijft : “De hoeksteen van de maatschappij is gewichtloos.  Hij staat aan het huis van hij die alles relativeert, van hij die met z’n vijanden slaapt.  Van hij die in hagel kristallen ziet.   Van hij die vaak valt, maar steevast rechterop weet te staan.”

-einde dag 1-

Nadat we gisteren zagen dat Zeppie de Zeeduivel op ‘zwem’ ging en via een kolkende storm in een vreemde wereld terecht kwam, volgen we hem vandaag verder op z’n zoektocht naar kouder water, in de hoop Martijn de magische marlijn te vinden, in een mens te veranderen en zich aan land te begeven om de mensheid van z’n vernietigingsdrang af te helpen.

“Hé”, sprak Zeppie tot zichzelf, “Het water voelt hier wat kouder aan.  Hierin kan ik wel leven.  Ik kan het weer wat rustigeraan doen. Radical!”
Net afgeremd merkt Zeppie op de zeebodem een vervaarlijk ogend dier op.  Het heeft stokkige, scherpe poten en griezelig getande scharen.  Het wezen kan z’n ogen alle kanten opdraaien en heeft een schotelvormig lichaam.  Zeppie besluit het dier ‘schele schaarschaal’ te noemen.
-Hé, schele schaarschaal!  Ik ben Zeppie de zeeduivel.
-Wuk!
-Zeg, schele schaarschaal, weet jij waar ik Martijn de magische marlijn kan vinden?
-Wuk!?
-schele sch…
-Manneke!  Luister es hier.  Mijn naam is Kris Krab.  Als je me nog éénmaal schele schaarschaal noemt, knijp ik m’n scharen in uw schaal tot je scheler ziet dan glasoog Guido zelve!  Begrepen?
-Mijn excuses, sche…, euh, …, Kris Krab.  Weet je toevallig niet, Kris Krab, waar ik Martijn de magische marlijn kan vinden?
-Waarom wil je dat weten?
-Ik wil aan land.  Ik wil door de marlijn in mens worden omgetoverd en hun vanuit hun leefmilieu het moorden van zeecreaturen laten stoppen.
-Aha!  Daar werk ik graag aan mee.  Mijn broer, Krab Kebab, werd door mensen opgevist en de poten uitgerukt.  Ik heb z’n stompjeslichaam zelf op de zeebodem terug gevonden.  Ik heb zelfs gehoord dat ze hun huisdieren krabpalen geven.  Ik mag er niet aan denken!  Kijk, Zeppie, om Martijn de magische marlijn te vinden doe je het volgende : Zwem hier rechtdoor tot aan het vijfde koraalrif.  Zwem daar rechtsaf.  Steek het weide wierveld over tot je bij de trog van Travisium komt.  Volg de trog linksop en op het eind, daar waar de trog het diepst is roep je Marlijn.  Daar zal hij uit de dieptes voor je neus opduiken.
-Merci, Kris.
-Succes, Zeppie!
Zeppie zwemt, zwemt, zwemt en zwemt, maakt een plasje, zwemt, zwemt, zwemt, zwemt nog meer, drinkt een glaasje wijn, zwemt verder, zwemt en zwemt, zwaait naar de babe-zeeduivel die langszwemt, zwemt verliefd verder, zwemt en zwemt, zwemt nog meer, eet een pindatje, zwemt, zwemt, drinkt een colaatje, zwemt en zwemt en zwemt en zwemt, loost wat faeces over de andere visjes op de tonen van Lou Reeds ‘Vicious’, zwemt, zwemt, zwemt, stopt aan de fish ’n chips voor een hapje, zwemt, krijgt een boulemie-aanval, zwemt terug, eet nog meer, zwemt en braakt en zwemt en zwemt en zwemt en zwemt, vertraagt in het glazen bokaaltje (de hoerenbuurt der vissen), en zwemt en zwemt en zwemt en brengt een groet aan de heilige barracuda en zwemt, zwemt, zwemt en zwemt en zuipt zich te pletter en ontplettert zich en zwemt en zwemt en doet een dutje op een rots en zwemt nog meer. 
Daar duikt het dan voor hem op, het weide zeewierveld.  Totaal van z’n vinnen geslagen en volledig overdonderd valt Zeppies bakkes van aan het zee-oppervlak tot aan de zeebodem open.  Daarbij schiet bij het arme duiveltje z’n kaak in een kramp.  “Vwuwdwuiwewd!”, spreekt Zeppie krampachtig.  Hij wil lachen om z’n duivelse woordspeling, maar kan niet van de pijn.  Met tranen in de ogen hangt Zeppie te wachten aan z’n bakkes… en op z’n lot. 
Vanuit het weide zeewierveld kwomt plots een piepklein, doorzichtig, broccoli-vormig wezentje aangesparteld.  Het heeft een vrij strak lijf en een wat gekke kruin.  Zeppie wil lachen.  Daar hij niet kan lacht hij maar niet.  Het vreemdkruinige diertje dat Zeppie waarneemt is eigenlijk geen dier.  Het is een piepklein plantje.  Het is niemand minder dan Filipe de zoutwaterpoliep.  We volgen Filipe even op pad.
-Pom pom pom pom pom pom …  Hé, daar ligt een bakkes met een visje aan!  Een bakvis! Hahaha. Dat gaan we even van naderbij gaan onderzoeken. Pom pom pom pom pom …  Hey Bakkes! Wieste mondje zeide gij?
- Vwan Vweppie
-Watte?
-Vwan Vweppie
-Ocharme.  Wat een articulatie.  Die vis heeft waarschijnlijk leren spreken in de wateren van Mongolië.  Ey, Handietje, wat scheelt er?  Teveel chromosomen geslikt, jong?
- vwwuuu weww zwuwwvwe….
-Moment, ik help je even.  Ik zal je mondhoeken kittelen, dan komen je kaakspieren vanzelf wel weer los.
Filipe de zoutwaterpoliep zwemt de opengesperde mondholte van Zeppie binnen en begint uit alle kruin te kittelen. Hij kittelt en kittelt.  Hij lijkt wel een volleerde pornoster die met z’n pornosnor het heilige plein van een of andere krijsende, opgespoten, blonde porno-actrice aan het borstelen is.  Zeppie, echter, voelt het niet.  Toevallig, net op datzelfde moment, trekt de kramp uit Zeppies kaak weg en valt z’n mond dicht.  Zeppie, die niet doorheeft dat Filipe in z’n mondholte is binnen gezwommen, heeft dus eigenlijk de arme zoutwaterpoliep opgegeten.
 Filipe de zoutwaterpoliep laat zich echter niet onbetuigd en spreekt de legendarische woorden met volle piepstem:  “Miljard! Wie in mijn rapen schijt, wordt dan maar in z’n bek gescheten!”  Filip opent z’n kruin, perst en perst en perst en perst en perst en perst en perst, baart een honderdtal mini-zoutwaterpoliepjes, perst en perst en perst, baart een honderdtal nageboortes en eet ze op, perst en perst en perst en perst en perst en … Pling!... Daar, midden op de tong van Zeppie belandt een zacht, geurig, miniscuul poliepenkakje.  Vol trots staart Filipe z’n prijswinnende hompje faeces aan.  Hij kan z’n glimlach niet verbergen.  Zeppie heeft echter niks door.  Hij voelt, proeft, noch ruikt iets. Maar  nog laat Filipe zich niet onbetuigd!  Hij zoogt z’n pasgeboren kroost uit alle borst en laat ze op commando allen tegelijk de hele tong van Zeppie volpoepen.  Zeppie, die plots alle geuren en smaken van de poliepenafvalstoffen waarneemt,  hapt een grote slok zeewater binnen om het goedje weg te spoelen.  Filipe en medepoliepen kunnen langs de kieuwen van Zeppie ontsnappen.
Na deze nare smaakervaring schiet Zeppie in alle haast naar de bar-a-cuda om z’n mond te spoelen.  Hij bestelt zich een zeethee van hoge ‘kwal’-iteit (dat is zeewierthee met uitgeknepen kwallententakelsap), drinkt die uit, eet een pindatje en maakt zich op om verder te zwemmen.  Recht het zeewierveld in.
Net voor het weide zeewierveld komt hij Aline den Airinck tegen.  Een airinck is een haring met een air.  Aline zwemt dan ook steevast net onder het water-oppervlak.  Ze zwemt graag es vanuit de hoogte.  Haar grote voordeel is dan ook dat ze alles overziet.  Van waaruit zij zwemt heeft ze een prachtig overzicht over het hele weide zeewierveld.  Ze ziet hoe Zeppie enkele verwoede pogingen onderneemt om zich in het zeewierveld te murwen.  Het mogelijke verstrikkingsgevaar indachtig, besluit ze Zeppie te waarschuwen. 
-Hé, jij daar, lelijk schepsel!
-Wie? Ikke?
-Wie anders?  Ooit al een andere creatuur gezien die zo misvormd is als jij?
-Nee, maar het maakt me wel speciaal.  Ze noemen me niet voor niks de Chuck Norris of the sea.
-Haha! Grapjas!  Je ziet er eerder uit als Fuck Trolly, de zeelelijke schrik der Oceanen!
-Merci, vis.  Wie mag jij dan wel wezen?  Jij, die alles zo goed weet?
-Ik ben Aline den Airinck. Opgegroeid in de beste school van het hele zeelandschap, wijs en knap als Radomir, de knappe en wijze radijs.
-Wat een gedacht van uzelf, zeg.
-Hoe kan ik ook anders over mezelf denken?Het lijkt me toch vaststaan dat ik wijzer ben dan jij.  Na duizenden – wat zeg ik? – miljarden pogingen om in het weide wierveld binnen te dringen, ben je nog geen centimeter verder geraakt.  Toch blijf je ’t proberen.  Besef je dan niet welke gevaren ginds loeren?  Als je al niet verstrikt geraakt in het wier, kun je nog opgevreten worden door creaturen van allerlei vinnage.  Tevens kun je kieuwkanker krijgen door de wierook en bovenal, in het weide wierveld heerst…. De Olivia!
-De Olivia? …
Beider vissen hun woorden zijn nog niet opgedroogd en daar opent zich recht voor hun neus het weide zeewierveld.  Een reusachtig, vreemd ogend schepsel verschijnt van tussen de wierbladeren.  Het schepsel is écht groot en écht vreemd ogend.  Elke seconde verandert het compleet van vorm en kleur en het is zo groot dat het de gehele zeebodem van quasi alle licht onttrekt.  “Ik ga terug naar m’n school!”, roept Aline den Airinck in paniek uit en als een pijlinktvis uit een boog schiet ze weg, de verte van de zee in.
Verschrikt kruipt Zeppie achter een steen en beloert voorzichtig het creatuur.  Imposant reikt het vreemde wezen, op dit moment in de vorm van een zilvergrijze stoomtrein, zich over de steen en spreekt terwijl ze vervormt naar een grauwgele ribbelchip :

-Dag Zeppie de zeeduivel.
-Hoe weet jij m’n naam?
Terwijl de Olivia in een schaamrode nieuwsverslaggever verandert, spreekt ze verder. “Ik weet alles, want ik ben de Olivia.”  “Waarom heet je eigenlijk zo?” vroeg Zeppie.  “Ik heet zo”, sprak de ondertussen lila conservenblikvulmachine geworden Olivia, “omdat ik over het een geheugen beschik als een O-lifant, over de energiebesparende efficiëntie van een L-uiaard, de bedwelmendheid van een I-nktvis, de grootsheid van een V-invis, de sierlijkheid van een I-bis en de scherpzichtigheid van een A-rend.
Terwijl ze het voorgaande zei, was de Olivia overgegaan van lila conservenblikvulmachine, naar goudkleurig veteranengedenkteken, naar grasgroene kerktorenhaan, chocoladebruine bakkersfiets, fluogele tampon-inbreng-huls, paarsgestipte eendenboerderij, hemelsblauwe paddenoversteekplaats en bordeauxrood gyneacologendiploma.  Op dit moment is de Olivia veranderd in een exacte copie van Zeppie zelf.  Zeppie is volledig onder de indruk.  Zodanig zelfs, dat hij geen woord weet uit te brengen.
“Zeg maar niks”, spreekt de zeppievormige Olivia.  “Ik weet waarom je hier bent.  Ik zal je helpen.” Zeppie zelf, ziet ondertussen voor het eerst in z’n leven z’n eigen spiegelbeeld.  Hij schrikt van z’n lelijkheid.  Misschien had Aline den Airinck toch gelijk.
Aline heeft gelijk.  Zeppie is enorm lelijk.  Echter, net als kennis en macht, is ook schoonheid een relatief begrip.  Schoonheid hangt niet om een mens heen, zijnde het uiterlijk.  Schoonheid zit ook niet binnenin.  Schoonheid is een straling, een soort van aura.  Wat de spiegel of de ander je ook vertelt, de schoonheid die je uitstraalt maakt wie je bent.

-einde dag 2-

De Olivia begint weer allerlei vormen en kleuren aan te nemen.  Van groene sandaal naar grijsgrauwgroene bosmier.  Daarna een zwarte bloemenkrans, een paars-blauwe pluviometer, een oranje kiwiplantage, een witte boekenwurmoorlel, een blauw-zwarte voetbalploeg en een rood-grijs gestreepte aluminiumraam-freesmachine.  Ondertussen spreekt ze tot Zeppie.  “ Jij zoekt Martijn, de magische marlijn.  Die heb je echter niet nodig.  Ik zal je wel aan land helpen.  Met mijn toverspreuk bevind je je in één vinneslag onder de mensheid.”
Zeppie ziet geen gevaar.  Integendeel, z’n geluk kan niet op.  Zo meteen zou hij zich tussen de mensen bevinden!  Waar hij echter niet aan denkt, is dat de Olivia de heerser van het zeewierveld is.  Als Zeppie de overbevissing der mensheid kan stilleggen, hoeven geen vissen meer in het weide zeewierveld te gaan schuilen tegen de afschuwelijk dodelijke sleepnetten.  Daardoor zou de Olivia haar inkomsten en macht verliezen.  Maar zoals gezegd, Zeppie ziet er geen graten in en vraagt de Olivia om de omtovering op gang te brengen.

Onder oorverdovend tromgeroffel verandert de Olivia in een vurige pacman-speelkast en spreekt de spreuk : “Goa moa bie de minsen, kieken!”
Meteen begint de hele zee te kolken en te beven. Te daveren en te sidderen.  Te schudden en te pruttelen.  Het water vult zich met opgewoeld zand.  Zeppie wordt rondgetold en meegezogen en daar komt uit de donkere diepte der Oceaan Nolf de Golf aangewassen.  “Ik neem je met me mee, jij kleine duivel, en werp je op het zand.”, sprak Nolf.
Nolf de golf neemt Zeppie onder de arm en spoelt hem mee doorheen de wateren van de wereldzee.  Zeppie voelt hoe hij vervormt, hoe hij wordt uitgerokken als een bungeetouw onder het gewicht van Vladimir de Vette Vinvis.  Hij voelt hoe hij vinnen en schubben verliest.  Plots verliest hij ook z’n kieuwen.  Angstig hapt Zeppie in het rond, in een verwoede poging wat lucht binnen te krijgen.  Hij krijgt echter enkel water in z’n pasgevormde longetjes en hoest en proest als de rookverslaafde op zondagmorgen.  “Dit is het einde!” denkt Zeppie in zichzelf.  Net op het moment hij denkt definitief naar de haaien te zijn, werpt Nolf de golf hem op het strand.  Kuchend ligt Zeppie in het natte zand.  Nolf kan het niet laten om Zeppie nog es met grote kracht te overspoelen.  Zeppie maakt de faceplant van z’n leven.  Nolf lacht zich krom, draait zich om en verdwijnt in de diepte van de zee.
Zeppie, nog niet helemaal bekomen van de akelige reis, wordt plots door een enorme vogel vastgegrepen, van het strand geplukt en mee de lucht in genomen.  De vogel spreekt Zeppie aan:  “Hallo, mein name ist Jos den Albatros.  Olivia hat mich gesendet.  Herzlichen wilkommen auf flücht A39, bestimmung Vögelnparadis.  Danke um mit chicken-dip-Airlines zu fliegen.  Nicht rauchen und…  Fasten seatbelts!”
Zeppie valt compleet uit de lucht.  Nog voor hij ook maar enigzins beseft wat er gebeurt, doet hij dat ook letterlijk.  Zeppie zweeft doorheen de lucht in een neerwaartse beweging en … Pats! … land recht in een mandvormig hoopje houtkrullen.
Waar is Zeppie nu beland?  Wat heeft de Olivia met onze kleine vriend uitgevreten?  Zeppie weet het allemaal niet meer.  Als een kip zonder kop gaat hij op verkenning.  Hij verlaat het houtkrullenmandje en ziet daar waar hij net heeft gelegen, een soort uitgerokken, bolvormig mannetje liggen.  Dat het een mannetje is, kan Zeppie eigenlijk enkel maar raden.  Het ding heeft qua geslachtsdelen niet veel – om niet te zeggen niets – om het lijf.  Het uitgerokken bolletje begint te spreken:
-Oef! Blij dat je van me af bent, stinkerd!
-Ik ben geen stinkerd.  Ik ben Zeppie de zeeduivel.
-Zeeduivel?  Wat is dat voor een beest?  Volgens mij ben je niet goed snik.  Je bent niet meer en niet minder dan een ordinaire haan!
Zeppie valt voor de tweede maal compleet uit de lucht.   Hij wil zich een weg uit de conversatie ‘blubben’, maar kan enkel kraaien.  In paniek spreekt hij tot het uitgerokken bolletje :
-Ik?  Een haan?  Ben ik dan geen mens?  Wat is er misgegaan? Ik wou als mens de aarde betreden.
-Haha! Dat is dan mooi mislukt!  Je bent echt wel een haan geworden, hoor.  Ga maar es kijken naar de waterbak.  Daarin kun je je spiegelen.
Zeppie gaat kijken en schrikt zich een kammetje.  Het bolletje spreekt verder:
-Wel, maatje, welkom in onze kippenren : het Vögelnparadis.  Ik ben Ei Demey.  Verder leven hier nog  Kobe Kip en Bieke het Kieke.  We vormen een leutige bende, hoor, en ik, Ei Demey kan al moeilijke woordjes zeggen. Ing..Ingerdiënten…..  Ha…ha…halle…ha…Hallemeninium…. D…D….D….D..Diz….Di…Di…
-Desoxyribonucleïnezuur?, vraagt Zeppie.
-Nee, nee, DNA!, roept ei Demey uit.
Zeppie kan enkel zuchten en zich afvragen in wat voor een nest hij nu terecht gekomen is.  Het dringt nu ook tot hem door dat de Olivia hem zwaar in de luren heeft gelegd.  Hij had met Aline den Airinck moeten wegschieten toen het nog kon.
Zo zie je maar, beste lezers en luisteraars : zekerheden bestaan niet.  Wat er ook gebeurt, niets gaat zoals voorspeld.  Echter, weet één ding : De zon gaat nooit onder, ze verschuilt en herbront alleen maar.  Elke dag verschijnt ze weer met nieuwe energie.  Elke dag verrijkt ze onze omgeving zodat wij, kleine mensen kunnen verder leven.  Laten ook wij bij het slapengaan schuilen en herbronnen.  Laten ook wij elke dag met nieuwe energie aanvatten.  Zo kunnen wij allen alles aan dat op ons afkomt.  Zo krijgt niks ons klein.  Toch niet kleiner dan we zijn.

-einde dag 3-

Na een nachtje herbronnen ontwaakt Zeppie vol goede moed.  Het slapen heeft hem duidelijk deugd gedaan.  Er zijn zelfs enkele wolkjes van vreugde z’n gemoed binnen gedreven.  Als parels van verlichting druppelen ze de haan z’n gedachten binnen en Zeppie voelt voorwaar een glimp van het opperste geluk.  Hij wordt er zelfs poëtisch van.
Dauw druipt naarstig            
Ze spreekt van begeestering
Nieuwe uren, nieuwe wetten

De grijze wereld herwint z’n kleur
Vanonder de nachtelijke deken, grijnzend
Als de zich ontsluitende tulp, z’n zoete geur

Zoals het hart onder het zingen van het liefdeslied
Sneller slaat
Draait ook de wereld heden in een andere maat

De overwinning van dag op nacht
’t is daar waar elke haan naar smacht.           

Op brute wijze wordt Zeppies dichten verstoord.  Ei Demey begint uit volle schaal te krijsen en te schreeuwen.  “Laat me los!  Laat me los!  Zoek elders je ‘ingerdiënten’ voor je pannekoek!”  Een grauwe gehandschoende mensenhand reikt doorheen een luik het kippenhok binnen en plukt Ei Demey uit z’n warme houtkrullenmandje.  Zeppie zet het op hanendrafje en vlucht naar buiten.  Hij botst er op Kobe Kip en Bieke het Kieke.
-“Ha! Hier is onze nieuwen.”, kakelt Kobe
-“Yo”, zei Zeppie.  “Ze hebben Ei Demey meegenomen.”
-“Goh, dat zijn we hier gewoon, hoor.  Elke dag worden onze cloaca-producten weggenomen.”, spreekt Bieke.  “Kobe en ik maar ganser dagen persen, al die helse pijnen doorstaan, de cloaca scheurend van aars tot snavel, en met welk resultaat?  Het legt de mensen geen windeieren, maar ons daarentegen?
-“Om dan nog niet te spreken van de 2-dagelijkse aarsbloedingen”, vervolgt Kobe.  “Soms is ons nest zo nat dat het voelt alsof we in een lekkende onderzeeër slapen.
-“ En als we oud zijn, worden we levend gepluimd en gekookt!”, vult Bieke aan.
-“ Je bent hier geen lang leven beschoren, jij oude haan.”, spreekt Kobe
Zeppie slikt.
-“Er moet hier een uitweg zijn.”, kraait hij.  “Bieke, Kobe, jullie zitten hier reeds een tijd.  Weten jullie een uitweg?”
-“Ik heb reeds alles geprobeerd”, kakelt Kobe. “Geen gaten in het systeem te vinden.  Je zit hier voorgoed vast, Manje!”
Zeppie zucht.  Hij is deze ochtend echter niet opgestaan om de moed op te geven.  Uit alle macht begint Zeppie de Haan te fladderen. Hij fladdert en fladdert.  Hij lijkt wel een kolibri met teveel groeihormonen.  En maar fladderen en fladderen.  Pluimen wentelen door de ochtendlucht.  Zeppie geraakt echter geen millimeter van de grond.  Maar nog geeft hij het niet op!  Hij fladdert en fladdert en fladdert.  Kobe en Bieke slaan het schouwspel met een pijnlijk ironische blik aan.  Je ziet ze denken : “straks fladdert ie zich nog kaal!”  Uren aan een stuk probeert Zeppie over ‘den droad’ te vliegen.  Dat tot hij het fladderzat is.  Zeppie kan niets anders doen dan in z’n situatie te berusten.
Plots gebeurt er iets vreemds met Zeppie.  Het valt onmogelijk in woorden te vatten.  Het staat beschreven in menig woord en lied, enkel omdat niemand een exacte verklaring en beschrijving kan neerpennen.  De woorden en liederen zijn enkel een zoektocht van talloze onverlaten die zich toch wagen aan wat men noemt : ‘de Liefde’.
Zeppies blik kruist de blik van Bieke het Kieke.  Vonken en vuur overknetteren Das Vögelnparadis. Onze haan wordt compleet van z’n poten geslagen.  Hij voelt zich de koning van de wereld, ook al vindt hij het zelf jammer dat de wereld geen monarchie is.  Zeppie schikt zich plots met alle plezier in z’n nieuwe lot, voelt voorwaar weer een glimp geluk en wordt er nogmaals poëtisch van.


Kieke,
Je blik spreekt me van een gloren.  Een heldere gloed.  Schoonheid in puurheid, schoonheid àls puurheid.  Puur als het gletsjerijs : koud en warm tegelijk, en diep, die gloed der geborgenheid. 
Met het gloren van je blik spreekt me ook het pientere van je stem.  De honing van je spreken kolkt doorheen je lippen en streelt mijn horen.  Lichtgouden en warm, een kind van Adolphe Sax is je stem.   Van zeemzoet tot schel, je stem zweeft, leeft als muziek.  Ze streelt en slaat, doet slapen en waken.  Je stem leidt, reikt me de hand en laat dromen.  Als ze overslaat in een lach, klaart alles op, vormen zich nieuwe kleuren en wordt alle water minder diep.
Zoals Eva, uit Adams lichaam ontrukt, is uit ons hart de liefde komen bloeden.  Een stroperige, wijnrode liefde.  Zalvend en verheerlijkend, het smeersel van ons beider geluk.
De zon gaat niet onder.  Ze verschuilt en herbront zich, leerde ik.  Bij het slapengaan komen de geesten verdwalen in m’n hoofd.  In hun dwalen leiden ze me mee.  Hun schijnbaar dolen toont me de weg.  Bij het slapengaan verschuil en herbron ik me, onder de deken van het denken.
Het herhaaldelijke peinzen heeft me jou aangewezen, jou toegewezen.  Je bent mijn bron, de plaats waar ik wil zijn, telkens de zon ons weder in de ogen kijkt.
Bij het aanhoren van deze woorden begint Bieke spontaan te blozen en vooral… ze begint te groeien.  Ze wordt groter en groter.  Net groot genoeg om Zeppie op haar schouder te kunnen zetten en te bevrijden.
-“Dank je voor de mooie woorden, Zeppie, maar ga nu alsjeblieft.  Je redding is nabij!”, redeneert Bieke.
-“Ik kan je niet achterlaten, m’n liefste.  Zonder jou ben ik als een kieken zonder kop.”, kraait Zeppie.
-“Als je me echt graag ziet, spring je nu het nog kan over den draad.”, valt Bieke hem in de rede.”Ga verder met je queeste, Zeppie, en redt ons van de gewisse dood der kippensoep.  Hier, neem deze pluim als aandenken met je mee.  Ze komt van vlakbij m’n cloaca.”
Een innige omhelzing volgt, waarna Zeppie, halfverdrinkend in z’n tranen voor de vrijheid kiest.  Hij moet en zal Bieke het Kieke redden.  Inderdaad, een waar kippevelmoment.
Liefde vraagt offers.  Vaak blijft ware liefde onbeantwoord.  Wat doe je daarmee?  Een geforceerd antwoord is even waardeloos als een biljet van een miljoen Zaïre.  Bij de pakken blijven zitten maakt van jezelf een waardeloos persoon.  Slechts één advies kan ik je geven.  Volg je hart, want het hart is het enige in een mens dat van goud kan zijn.

-einde dag 4-

Ondertussen zijn we helaas, nabij het einde van dit droevige relaas.  Zeppie, nu wel geslaagd in het ontsnappen uit het Vögelnparadis, doolt doelloos rond doorheen het mensenlandschap.  Hij rent wat heen en weer als een kieken zonder kop.  Hij krijgt het koud, echter, naar de warme mensenwereld durft hij niet te gaan.  Zeker niet nadat hij heeft gezien wat Ei Demey overkwam.  Hij besluit voorlopig het bos in te trekken en ginds op een plan te broeden.  Ondertussen is het donker geworden en beginnen te regenen.  Zeppie nestelt zich er in een lage struik, probeert wat warmte te vinden in debosbodem en probeert wat te slapen.  Zeppie vraagt zich af of hij er wel goed aan heeft gedaan, de gezellige warmte van das Vögelnparadis en de vleugels van Bieke het kieke te verlaten.  Nu ja, de hele zeewereld moet koste wat het kost worden gered, en Bieke heeft hem nu eenmaal gevraagd om met z’n queeste door te gaan, dus Zeppie besluit te volharden.
Zeppie de haan begint te denken aan een actieplan.  Veel tijd daarvoor krijgt hij echter niet.  Hij hoort iets ritselen doorheen de bomen.  Het geritsel wordt luider en luider.  Hij hoort het vertrappelen van bladeren en een haastig jagend gesnuffel.  Plots begint ook de struik waarin hij zich heeft genesteld te schudden en te beven.  Zeppie maakt zich zo klein mogelijk.  De struik opent zich… en daar…. Staren twee dreigende ogen met daaronder een messcherpe tandenrij hem aan.  Zeppie zit oog in oog met… Nolf de Wolf!
Instinctief springt onze haan op uit z’n nest, maakt wat schijnbewegingen, forceert een driedubbele salto met flik-flak en zet het op een rennen, zo snel z’n hanepootjes hem dragen kunnen.  Steeds dieper het bos in.  Nolf de Wolf achter hem aan.  Zeppie ziet een holle boomstam liggen en verschuilt zich erin.  Geen wolf die hem daar te pakken krijgt. 
De wolf verdwijnt en voorwaar : een paars-geel gestipte bijl begint in het hout van Zeppies schuilplaats te hakken!  Zeppie beseft nu dat Nolf de Wolf eigenlijk de getransformeerde Olivia zelf was.  Nu heeft de Olivia zich in een ijzersterke bijl veranderd en ligt Zeppie in een verloren positie in een te zwak fort om haar aanvallen te weerstaan.  In een wanhoopspoging zet Zeppie weer een hanendrafje in, goed beseffend dat hij een gewisse dood tegemoet loopt.
Gelukkig is Zeppie geen domme haan.  Hij kijkt regelmatig naar Mc Guyver.  Onder het lopen kan hij hier en daar wat sluikafval van de bosbodem pikken.  Zo vindt hij een glasscherfje, een dopje van een bierflesje en een verstorven elastiekje.  Nog steeds onder het lopen doet hij er iets Mc Guyverie-achtigs mee en …. BANG!...  Bijna het gehele bos hult zich in een withete paddestoelvormige explosie.  In een akelig, hels gekrijs en onder het rommelen van duizend bliksems schiet de Olivia de aarde in.  Recht naar de hel.  Zeppie krijgt er kippevel van.
Daar staat hij dan, onze haan, midden een ontploft bos, druipnat.  Z’n hart kloppend in z’n lel.  Hij heeft nu wel de Olivia verslagen, maar wat moet hij nu aanvangen?  Hoe kan hij nu Bieke het kieke en de onderzeewereld redden? 
Daar Zeppie altijd voor iedereen goed is geweest, komt de oplossing vanzelf naar Zeppie.  Voor hem verschijnt al in een grot en in een heldere, vurige gloed, gespekt met glinsterende diamanten… De Orfee… gezonden door Martijn de magische Marlijn.  Ze spreekt : “Zeppie, je hoeft niet te wanhopen, jij duivelse haantje.  Je bent reeds je hele leven goed voor eenieder die je ontmoet.  Tevens heb je de wereld verlost van de Olivia.  Martijn de magische Marlijn heeft me gestuurd om je te helpen.  Zeppie, je mag één wens doen.”
“Eentje maar?”, zegt Zeppie. “Ik ben vastbesloten om de onderwaterwereld te redden van de schade der overbevissing door de mensen.  Daarvoor moet ik zelf een mens worden.  Dan kan ik echter nooit in Biekes vleugels slapen.  Dit is hartverscheurend!”
De orfee antwoordt : “In het leven krijg je niet altijd alles wat je wilt.  De keuze ligt aan jou, Zeppie.  Het is de keuze tussen gevoel en verstand, tussen hart en hoofd.  Tevens, Zeppie, gelieve snel te kiezen.  Ik heb nog veel te regelen voor mijn trouwfeest.  Ik trouw met Martijn, de magische marlijn!”

Kiest Zeppie om mens te worden of blijft Zeppie haan?  Het is aan jullie, lezers en luisteraars om een keuze te maken.  Voor Zeppie is die te hartverscheurend.  Hieronder vind je twee versies van het einde van het verhaal.  ‘Versie 1’ vertelt je hoe dit verhaal afloopt indien Zeppie een mens wordt. ‘Versie2’ vertelt hoe dit verhaal afloopt als Zeppie voor de liefde kiest en haan blijft.

Versie1
“Ik moet m’n plicht vervullen en m’n queeste verder zetten”, spreekt Zeppie. “Vele vissenlevens staan op het spel.  Ik moet en zal ze proberen te redden.” 
De orfee stemt in, spreekt een vreemde spreuk, sprenkelt wat orakelwater (oorsmeer en aardekluiten vanop een rakel aanlengen met 2dl water) over Zeppies kammetje, wrijft drie maal over haar linker dikke teen, veegt wat maagdenbloed aan Zeppies hals, vreet een entrecôte, bepoedert Zeppies snavel met Coke, blaast vijf zuchten van haar hete adem in Zeppies gezicht (ja, ze had look gegeten) en vijf tellen later staat naast de orfee…
Een pracht van een mens.  Zeppie vat vol moed het nieuwe avontuur aan en leert vele prachtige mensen kennen.  Instinctief gaat hij op zoek naar de zee.  Hij boekt een reisje naar Labenne en probeert via avondlijke verhaaltjes zijn gezelschap wat moraliteit bij te brengen en zo het zeeleven te redden.  Hij heeft er de tijd van z’n leven.  Zeppie dankt jullie voor het fijne gezelschap.

Versie2
“Ik Moet m’n plicht vervullen, maar iemand die je echt graag ziet laat je niet achter.”, spreekt Zeppie. “Ik wil een lang en gelukkig leven met Bieke het Kieke, ver weg van de boosaardige mensen.”
De orfee stemt in, spreekt een vreemde spreuk, sprenkelt wat orakelwater (oorsmeer en aardekluiten vanop een rakel aanlengen met 2dl water) over Zeppies kammetje, wrijft drie maal over haar linker dikke teen, veegt wat maagdenbloed aan Zeppies hals, vreet een entrecôte, bepoedert Zeppies snavel met Coke, blaast vijf zuchten van haar hete adem in Zeppies gezicht (ja, ze had look gegeten) en vijf tellen later staat Zeppie…. in de vleugels van Bieke het kieke. 
Ze beginnen meteen te snavelen.  Ze bevinden zich niet meer in het krappe kippenhok waar alle eieren worden geroofd, maar in een prachtige paradijslijke vlakte.  Overal rondom hen heen bevinden zich warme nestjes en de Maïs tiert er weeldig.  Ze kennen er nog een lang en gelukkig bestaan en Bieke legt vele Ei Demeyeren.  Dank je voor uw haandacht.
Epiloog:
Zo zie je maar : Hoe alles ook draait en keert, het leven is een opeenstapeling van keuzes.  Nooit krijg je een volledige happy-end.  Houd, echter, het glas halfvol.  Zeg niet: elk voordeel heeft z’n nadeel, maar wel : elk nadeel heeft z’n voordeel.
RV39

maandag 18 juli 2011

Op bezoek


Op bezoek in een houtzagerij kwam ik haar tegen.  Een heldere, gerichte blik; een vrije, spontane glimlach; nette, halflange haren.  Er vielen zaken te doen.  De zagerij had mooie houtkrullen tegen een haalbare prijs.   Een deal leek snel beklonken, dus kabbelde het gesprek snel verder naar andere oorden.  Ze stelde zich voor als Claire.  Bij het horen van haar naam betrapte ik m’n gedachten erop heel even in een schunnig hoekje te zitten.   Claire nodigde me uit op haar boerderij wat verderop. 
We vlogen erheen per helicopter en cirkelden eerst een tijdlang over het domein.  Er stond een groot Barok kasteel in rode baksteen, nauwkeurig en fleurig afgewerkt met witstenen ornamenten.  Op het glooiende terrein stonden ontelbare dierenkooien in koloniale stijl.  Er stond ook een prachtige paardenstal.  De stal, tientallen meters lang en metershoog, zag eruit als een paleis.  Doch herbergde het reusachtige bouwwerk slechts een dozijn rijdieren. 
Eens geland, wandelden we door de glooiende tuinen tussen gladgeschoren beukenhagen en rozenperken.  We kwamen op een lichthellend tapijtvlak gemaaid grasveldje.  Overdonderd door de praal die de locatie tentoon spreidde, voelde ik de drang haar hand in de mijne te nemen.  Ik deed het niet.  Ik werd uit m’n peinzende afwezigheid gehaald door Claire.   Ze riep een stalknecht om een van de paarden te laten zien.
 Een vaalbruine, gespierde merrie kwam uit de stallen gegallopeerd en stopte gedisciplineerd recht voor ons.  De linkerkant van het dier was tot in de puntjes verzorgd. Kort geschoren en blinkende haren, netjes gevlochten manen.  De rechterkant had lang, klittend, totaal onverzorgd haar, als dat van een bobtail die maanden door een of andere modderige jungle had gewroet.  We keurden het paard.  Onderwijl kwam van aan de andere kant een rosbruin langharig veulen afgewandeld.  Het herkende de merrie meteen als moeder.  De dieren liepen op elkaar af en streelden elkaar met het hoofd.   Claire liep de stalling binnen, terwijl ik nog even bleef staan omhet tafereel te aanschouwen.
 Kort daarna kwam Claire uit ‘het paardenpaleis’ met een nachtzwarte hengst aan de teugel.  Ze stond ongeveer honderd meter van me verwijderd.  Op dat moment keerde de merrie zich van haar veulen af en begon wild stampend rondom me heen te rennen.  Ik werd bang.  Na enkele rondjes rondom me heen te hebben gegallopeerd viel de merrie me aan.  Ze sprong op mij en vertrappelde me.  Ik voelde weinig pijn, het was hem om de angst te doen.   Claire schreeuwde me toe dat ik het veld moest verlaten, wat me vreemd genoeg onder het stampen van de merrie lukte.
 Ik vertelde haar dat ik haar door had en vroeg me hoeveel houtkrullenhandelaren ze zo al had wijsgemaakt dat er zaken te doen waren, terwijl daar niets van aan was.  Ik vroeg haar hoeveel mensen ze zo reeds had pijn gedaan.  Ze riep:  ‘Ontelbare!’   Ik zweerde nooit meer iemand te geloven en verliet het domein.  Een hoge gietijzeren poort sloot zich automatisch achter m’n rug.  Ik werd omvergewaaid door de luchtverplaatsing ervan en kreeg het verschrikkelijk koud, daar op de grauwe straatstenen voor de gesloten poort.  Op de steunmuur naast de poort hing een bordje met de afbeelding van de Heilige Petrus.

Rv39