De wagen duwt z'n trekker niet.
De sleep veegt geen land.
De hardheid van het water
schuurt de zwakke hand.
Ook morgen scheert de zon ons kaal,
plukt de wind onze vruchten.
De doe-al zal ten onder gaan
in z'n luie zittend zuchten.
Rust niet, teler van de akker,
wroet in uw aardse zijn.
Speel met de borsten van Moeder Natuur,
haar melkzuur is je zwijm.
Zie, je botert aan,
de etterende cyste waarin je bewaart.
Het lachen zal voor later zijn.
Een bulderende kroost zonder venijn.
De wagen duwt z'n trekker niet.
De sleep veegt geen land.
Jij bent het ontharde water
druppend vleiend in het bad van m'n hand.
RV39