In jou steeds die wasem,
de waas waaraan ik me warm.
De pleister om de zuilen,
het steunt de ziel en omarmt.
Je spreekt traag vandaag,
loom je letters tellend.
Je spreekt raak vandaag,
je tong smelt in de omklemming.
In jou steeds die wasem,
de zucht als in slapen.
Je bent de harlekijn
waaraan de dromen zich vergapen.
Je spreekt vaag vandaag,
alsof je in de zon verdwijnt.
Je spreekt graag vandaag,
je bent meer dan schone schijn.
In jou steeds die wasem.
Eb en vloed spoelen je woorden.
Je geeuw gaapt als de fles,
wiens echo we galmend horen.
RV39
Populaire berichten
woensdag 27 november 2013
dinsdag 26 november 2013
Voorop: de fanfare
Het beeld van de velden sterft,
ingegraven in eigen grond.
De kou vuurt z'n pijlen.
De avond verknipt de lont.
Voorop: de fanfare.
Ik aanhoor hun krijsen,
de duw van het balkon.
Na de val volgt steeds geklauter,
weet van knecht tot baron.
Voorop, de fanfare.
Met jou zal ik zingen,
als ik de sleutel krijg.
Onze stemmen weven het laken,
waaronder muziek zich vleit.
Voorop: de fanfare.
RV39
ingegraven in eigen grond.
De kou vuurt z'n pijlen.
De avond verknipt de lont.
Voorop: de fanfare.
Ik aanhoor hun krijsen,
de duw van het balkon.
Na de val volgt steeds geklauter,
weet van knecht tot baron.
Voorop, de fanfare.
Met jou zal ik zingen,
als ik de sleutel krijg.
Onze stemmen weven het laken,
waaronder muziek zich vleit.
Voorop: de fanfare.
RV39
zaterdag 2 november 2013
Glorie
De klaarte vloeit, ze wikt de rimpels in het gordijn.
De vezels tellen. Het mag ietsje meer zijn.
De beenhouwer rekt zich.
De spruit krult op. Kleine dommelein.
De dauw drinkt planten. Het orgel wijn.
Ik trek de ochtend aan de mouw.
Wil je echt niet mee wandelen gaan?
Glorie ligt veelal over de berg.
De veelvraat slikt m'n vragen met kracht.
De kiezen kneden. Brood dat als brood vergaat.
De levenslijn in de knoop. De levensloop.
De prooi gooit zich naar de jacht.
De sterren plukken de nacht.
RV39
De vezels tellen. Het mag ietsje meer zijn.
De beenhouwer rekt zich.
De spruit krult op. Kleine dommelein.
De dauw drinkt planten. Het orgel wijn.
Ik trek de ochtend aan de mouw.
Wil je echt niet mee wandelen gaan?
Glorie ligt veelal over de berg.
De veelvraat slikt m'n vragen met kracht.
De kiezen kneden. Brood dat als brood vergaat.
De levenslijn in de knoop. De levensloop.
De prooi gooit zich naar de jacht.
De sterren plukken de nacht.
RV39
dinsdag 22 oktober 2013
Krijtstof
Je adem blaast het krijtstof op de vensters.
De zon glazuurt.
vergeten staar ik.
De ochtend wint vuur.
Steeds onderweg, je woorden
als kussen in de hals.
De warmte sneeuwt weg
Je dampt naar verre oorden.
Je adem blaast het krijtstof op m'n venster
In kaarslicht: de wassen waas.
Je heft m'n voeten,
spuwt je gensters.
Steeds onderweg, je fluistert.
Schuifelen is je luister.
Aarzel niet, prinses, ik vlei.
Deze bedsprei houdt je gekluisterd.
RV39
De zon glazuurt.
vergeten staar ik.
De ochtend wint vuur.
Steeds onderweg, je woorden
als kussen in de hals.
De warmte sneeuwt weg
Je dampt naar verre oorden.
Je adem blaast het krijtstof op m'n venster
In kaarslicht: de wassen waas.
Je heft m'n voeten,
spuwt je gensters.
Steeds onderweg, je fluistert.
Schuifelen is je luister.
Aarzel niet, prinses, ik vlei.
Deze bedsprei houdt je gekluisterd.
RV39
dinsdag 4 juni 2013
Celine II
Ook al zag ik je reeds lang niet meer,
Je bent dichtbij, ik wandel voorbij.
Je hangt als je kleren aan de wasdraad,
ik die erdoorheen waad.
Ik hengel naar je stem,
fluisterend, de baren van de weidse wereld,
Je zucht met de wind.
M'n lippen drogen op, m'n kind.
Ik streel je mouw,
Ik voel de vezel van ons samen zijn.
M'n vingers hebben de stof geheeld.
Niemand die deze bijeenkomst deelt.
We verstoppen ons in onszelf,
schuren over elkaar heen,
Je waaien is ons varen,
Ons vluchten brengt ons de vruchten van weleer.
De dagen zijn als grijsaards met botte stokken
Zwaaiend, graaiend naar wie zich te dicht begeeft.
Hier, jij en ik, de waslijn in de hand,
keren nooit meer weder naar dit oude land.
Je bent dichtbij, ik wandel voorbij.
Je hangt als je kleren aan de wasdraad,
ik die erdoorheen waad.
Ik hengel naar je stem,
fluisterend, de baren van de weidse wereld,
Je zucht met de wind.
M'n lippen drogen op, m'n kind.
Ik streel je mouw,
Ik voel de vezel van ons samen zijn.
M'n vingers hebben de stof geheeld.
Niemand die deze bijeenkomst deelt.
We verstoppen ons in onszelf,
schuren over elkaar heen,
Je waaien is ons varen,
Ons vluchten brengt ons de vruchten van weleer.
De dagen zijn als grijsaards met botte stokken
Zwaaiend, graaiend naar wie zich te dicht begeeft.
Hier, jij en ik, de waslijn in de hand,
keren nooit meer weder naar dit oude land.
maandag 27 mei 2013
Lucien
Met geslepen messen tussen de tanden, gepolijst door de dagen.
Over de akkers waait z'n stem, het onderdrukte schreeuwen,
de frequentie die z'n lied tot het geslagen addergebroed zal dragen.
De tijd neemt z'n zang, de roep naar stilte die hem omarmt.
In z'n vage doen en denken, z'n schuivende bewegen,
leeft de meester die z'n leerlingen kneedt.
Hij leert ons als geen ander dat muziek de woorden ontleent.
Hij weert wie hem deert, hij bezweert wie hem begeert.
De weelde van de dagen die hij verliet,
ze vervaagt, hij draagt het in z'n lied.
Hard van geweten, hij draagt z'n weke hart.
Lucien strijdt te velde, ten onder gaat hij niet.
RV39
Over de akkers waait z'n stem, het onderdrukte schreeuwen,
de frequentie die z'n lied tot het geslagen addergebroed zal dragen.
De tijd neemt z'n zang, de roep naar stilte die hem omarmt.
In z'n vage doen en denken, z'n schuivende bewegen,
leeft de meester die z'n leerlingen kneedt.
Hij leert ons als geen ander dat muziek de woorden ontleent.
Hij weert wie hem deert, hij bezweert wie hem begeert.
De weelde van de dagen die hij verliet,
ze vervaagt, hij draagt het in z'n lied.
Hard van geweten, hij draagt z'n weke hart.
Lucien strijdt te velde, ten onder gaat hij niet.
RV39
Abonneren op:
Reacties (Atom)