In de schelp van je handen
te rusten, de bescherming van hun omranden.
Ik, de nachtvlinder, zoek het kaarslicht
alwaar m'n dwalen weg kan branden.
Neergestreken over je palmen
zal m'n gefluister je omarmen
als de bries in z'n effenen van de lucht
bevriezen m'n woorden in een zucht
Van jou zal ik niet wijken
zolang je ogen me hun kaarslicht reiken.
RV39