De ochtend brengt wel vaker raad.
Het openen van de ogen.
Ik werp wederom de verstikkende deken,
slorp de hitte naar m'n aderen.
De maagd onder m'n balkon,
glazuren huid, rozig in het ochtendlicht.
Haar zucht is m'n naam.
Haar tucht haar faam.
We keuvelen naar de middag,
voeden elkaar onze woorden.
Ik lepel haar de schoonheid toe,
zij mij de vreugde van haar gloed.
We luieren de dag in slaap,
vleien ons in een welterusten.
M'n adem waait in jou.
Het leven waaraan ik je houd.
Land van hier, berg me op,
Sleep me weg vanop je wrokkige kusten.
Het zand glijdt doorheen m'n bedelende hand,
over m'n klauwig lichaam dat eindelijk zal rusten.
RV39
Geen opmerkingen:
Een reactie posten