Ik denk : "Ik verlig m'n hele, scheurende leven
onder een laken van glansloos glazuur.
Anders kon ik haar licht wel zien;
Becirkeld over haar littekens, het hellevuur."
Ze groet me met natte borst
die haar zachte voetsporen
over m'n handendal druipen
de kroon op het werk: zoetheid en dorst.
Ik honger haar op,
Plaats haar handen in m'n haar
Zorgeloos over m'n zachte vlees bekommerd:
rafelend, het kleed der licht dat ze draagt.
Even, guur als warmte kan zijn,
Vreet de snoodaard haar op.
Als noodzakelijk vermaak
grijnst de zon haar toe: het genadeschot.
RV39
Geen opmerkingen:
Een reactie posten