Ik verrijkte je hand met vleugels.
Zo ging ie in z'n strelen zweven.
Bereikte de bodem van je spreuken.
Met hen kon je me het slapen geven.
Zo verbloemd je woorden,
zo verzoenend ons gesprek.
Zo verstaanbaar je gezegden,
zo verstaand m'n oor te luisteren.
Gedrengd in al waar we van droomden,
leeft heden met ons het beest.
Rillend nat, de ontgoocheling brakend,
over al wat nooit echt is geweest.
RV39
06-09-2011
Geen opmerkingen:
Een reactie posten