Het beeld van de velden sterft,
ingegraven in eigen grond.
De kou vuurt z'n pijlen.
De avond verknipt de lont.
Voorop: de fanfare.
Ik aanhoor hun krijsen,
de duw van het balkon.
Na de val volgt steeds geklauter,
weet van knecht tot baron.
Voorop, de fanfare.
Met jou zal ik zingen,
als ik de sleutel krijg.
Onze stemmen weven het laken,
waaronder muziek zich vleit.
Voorop: de fanfare.
RV39
Geen opmerkingen:
Een reactie posten