De klaarte vloeit, ze wikt de rimpels in het gordijn.
De vezels tellen. Het mag ietsje meer zijn.
De beenhouwer rekt zich.
De spruit krult op. Kleine dommelein.
De dauw drinkt planten. Het orgel wijn.
Ik trek de ochtend aan de mouw.
Wil je echt niet mee wandelen gaan?
Glorie ligt veelal over de berg.
De veelvraat slikt m'n vragen met kracht.
De kiezen kneden. Brood dat als brood vergaat.
De levenslijn in de knoop. De levensloop.
De prooi gooit zich naar de jacht.
De sterren plukken de nacht.
RV39
zaterdag 2 november 2013
dinsdag 22 oktober 2013
Krijtstof
Je adem blaast het krijtstof op de vensters.
De zon glazuurt.
vergeten staar ik.
De ochtend wint vuur.
Steeds onderweg, je woorden
als kussen in de hals.
De warmte sneeuwt weg
Je dampt naar verre oorden.
Je adem blaast het krijtstof op m'n venster
In kaarslicht: de wassen waas.
Je heft m'n voeten,
spuwt je gensters.
Steeds onderweg, je fluistert.
Schuifelen is je luister.
Aarzel niet, prinses, ik vlei.
Deze bedsprei houdt je gekluisterd.
RV39
De zon glazuurt.
vergeten staar ik.
De ochtend wint vuur.
Steeds onderweg, je woorden
als kussen in de hals.
De warmte sneeuwt weg
Je dampt naar verre oorden.
Je adem blaast het krijtstof op m'n venster
In kaarslicht: de wassen waas.
Je heft m'n voeten,
spuwt je gensters.
Steeds onderweg, je fluistert.
Schuifelen is je luister.
Aarzel niet, prinses, ik vlei.
Deze bedsprei houdt je gekluisterd.
RV39
dinsdag 4 juni 2013
Celine II
Ook al zag ik je reeds lang niet meer,
Je bent dichtbij, ik wandel voorbij.
Je hangt als je kleren aan de wasdraad,
ik die erdoorheen waad.
Ik hengel naar je stem,
fluisterend, de baren van de weidse wereld,
Je zucht met de wind.
M'n lippen drogen op, m'n kind.
Ik streel je mouw,
Ik voel de vezel van ons samen zijn.
M'n vingers hebben de stof geheeld.
Niemand die deze bijeenkomst deelt.
We verstoppen ons in onszelf,
schuren over elkaar heen,
Je waaien is ons varen,
Ons vluchten brengt ons de vruchten van weleer.
De dagen zijn als grijsaards met botte stokken
Zwaaiend, graaiend naar wie zich te dicht begeeft.
Hier, jij en ik, de waslijn in de hand,
keren nooit meer weder naar dit oude land.
Je bent dichtbij, ik wandel voorbij.
Je hangt als je kleren aan de wasdraad,
ik die erdoorheen waad.
Ik hengel naar je stem,
fluisterend, de baren van de weidse wereld,
Je zucht met de wind.
M'n lippen drogen op, m'n kind.
Ik streel je mouw,
Ik voel de vezel van ons samen zijn.
M'n vingers hebben de stof geheeld.
Niemand die deze bijeenkomst deelt.
We verstoppen ons in onszelf,
schuren over elkaar heen,
Je waaien is ons varen,
Ons vluchten brengt ons de vruchten van weleer.
De dagen zijn als grijsaards met botte stokken
Zwaaiend, graaiend naar wie zich te dicht begeeft.
Hier, jij en ik, de waslijn in de hand,
keren nooit meer weder naar dit oude land.
maandag 27 mei 2013
Lucien
Met geslepen messen tussen de tanden, gepolijst door de dagen.
Over de akkers waait z'n stem, het onderdrukte schreeuwen,
de frequentie die z'n lied tot het geslagen addergebroed zal dragen.
De tijd neemt z'n zang, de roep naar stilte die hem omarmt.
In z'n vage doen en denken, z'n schuivende bewegen,
leeft de meester die z'n leerlingen kneedt.
Hij leert ons als geen ander dat muziek de woorden ontleent.
Hij weert wie hem deert, hij bezweert wie hem begeert.
De weelde van de dagen die hij verliet,
ze vervaagt, hij draagt het in z'n lied.
Hard van geweten, hij draagt z'n weke hart.
Lucien strijdt te velde, ten onder gaat hij niet.
RV39
Over de akkers waait z'n stem, het onderdrukte schreeuwen,
de frequentie die z'n lied tot het geslagen addergebroed zal dragen.
De tijd neemt z'n zang, de roep naar stilte die hem omarmt.
In z'n vage doen en denken, z'n schuivende bewegen,
leeft de meester die z'n leerlingen kneedt.
Hij leert ons als geen ander dat muziek de woorden ontleent.
Hij weert wie hem deert, hij bezweert wie hem begeert.
De weelde van de dagen die hij verliet,
ze vervaagt, hij draagt het in z'n lied.
Hard van geweten, hij draagt z'n weke hart.
Lucien strijdt te velde, ten onder gaat hij niet.
RV39
maandag 5 november 2012
Hard water.
De wagen duwt z'n trekker niet.
De sleep veegt geen land.
De hardheid van het water
schuurt de zwakke hand.
Ook morgen scheert de zon ons kaal,
plukt de wind onze vruchten.
De doe-al zal ten onder gaan
in z'n luie zittend zuchten.
Rust niet, teler van de akker,
wroet in uw aardse zijn.
Speel met de borsten van Moeder Natuur,
haar melkzuur is je zwijm.
Zie, je botert aan,
de etterende cyste waarin je bewaart.
Het lachen zal voor later zijn.
Een bulderende kroost zonder venijn.
De wagen duwt z'n trekker niet.
De sleep veegt geen land.
Jij bent het ontharde water
druppend vleiend in het bad van m'n hand.
RV39
De sleep veegt geen land.
De hardheid van het water
schuurt de zwakke hand.
Ook morgen scheert de zon ons kaal,
plukt de wind onze vruchten.
De doe-al zal ten onder gaan
in z'n luie zittend zuchten.
Rust niet, teler van de akker,
wroet in uw aardse zijn.
Speel met de borsten van Moeder Natuur,
haar melkzuur is je zwijm.
Zie, je botert aan,
de etterende cyste waarin je bewaart.
Het lachen zal voor later zijn.
Een bulderende kroost zonder venijn.
De wagen duwt z'n trekker niet.
De sleep veegt geen land.
Jij bent het ontharde water
druppend vleiend in het bad van m'n hand.
RV39
dinsdag 30 oktober 2012
Land van hier
De ochtend brengt wel vaker raad.
Het openen van de ogen.
Ik werp wederom de verstikkende deken,
slorp de hitte naar m'n aderen.
De maagd onder m'n balkon,
glazuren huid, rozig in het ochtendlicht.
Haar zucht is m'n naam.
Haar tucht haar faam.
We keuvelen naar de middag,
voeden elkaar onze woorden.
Ik lepel haar de schoonheid toe,
zij mij de vreugde van haar gloed.
We luieren de dag in slaap,
vleien ons in een welterusten.
M'n adem waait in jou.
Het leven waaraan ik je houd.
Land van hier, berg me op,
Sleep me weg vanop je wrokkige kusten.
Het zand glijdt doorheen m'n bedelende hand,
over m'n klauwig lichaam dat eindelijk zal rusten.
RV39
Het openen van de ogen.
Ik werp wederom de verstikkende deken,
slorp de hitte naar m'n aderen.
De maagd onder m'n balkon,
glazuren huid, rozig in het ochtendlicht.
Haar zucht is m'n naam.
Haar tucht haar faam.
We keuvelen naar de middag,
voeden elkaar onze woorden.
Ik lepel haar de schoonheid toe,
zij mij de vreugde van haar gloed.
We luieren de dag in slaap,
vleien ons in een welterusten.
M'n adem waait in jou.
Het leven waaraan ik je houd.
Land van hier, berg me op,
Sleep me weg vanop je wrokkige kusten.
Het zand glijdt doorheen m'n bedelende hand,
over m'n klauwig lichaam dat eindelijk zal rusten.
RV39
donderdag 4 oktober 2012
Kaarslicht
In de schelp van je handen
te rusten, de bescherming van hun omranden.
Ik, de nachtvlinder, zoek het kaarslicht
alwaar m'n dwalen weg kan branden.
Neergestreken over je palmen
zal m'n gefluister je omarmen
als de bries in z'n effenen van de lucht
bevriezen m'n woorden in een zucht
Van jou zal ik niet wijken
zolang je ogen me hun kaarslicht reiken.
RV39
te rusten, de bescherming van hun omranden.
Ik, de nachtvlinder, zoek het kaarslicht
alwaar m'n dwalen weg kan branden.
Neergestreken over je palmen
zal m'n gefluister je omarmen
als de bries in z'n effenen van de lucht
bevriezen m'n woorden in een zucht
Van jou zal ik niet wijken
zolang je ogen me hun kaarslicht reiken.
RV39
Abonneren op:
Posts (Atom)