donderdag 18 augustus 2011

Rozenvensters

Je ogen. Ze staan als rozenvensters in je kathedraal.
Op het vertrouwen in hen zullen we bouwen.
Ik aanhoor hoe ze in koor zingen gaan, samen met je lach.
Hij lijkt uit verlegenheid geboren,
hij lijkt uit je irissen diamanten te houwen.

's Nachts wuif je me toe in m'n dromen
om elke ochtend met me op te staan.
Je bent de gezel die me rust aanjaagt.
Ik voel de vrede in de palm van je hand
en bid je elke dag de weg naar het geluk in te slaan.

M'n wereld heb ik van jou geleerd.
Ginds, in de branding van de tijd.
M'n oren tegen je woorden leunend.
Doch, m'n wereld ligt verzonken,
dit alles ten spijt.


rv39

Gesloten je ogen

Gesloten je ogen telkens je me ontvlucht,
alsof je niet weten wilt waarheen te gaan
dan daar waar je gedachte je leidt.

Vervlogen, telkens je beeld,
dat steeds, na het vertellen van m'n leer,
de deurpost van je aanblik heelt.

Ik sluit de deur achter je aan
na het snuiven van de lucht,
achtergelaten door het waaien van je vlucht.

Spijt heb ik niet,
want je telkens verhuild,
begraaf ik het gemis in de diepte van een kuil.


RV39

donderdag 11 augustus 2011

De degen van dit land is z'n water
echter


échter


Ik vloei van af naar later
vader





rv39

woensdag 10 augustus 2011

Herfstgedachte

Het mooie aan schrijven is dat je als mens op wandel gaat in de tuin van je gedachten.  Schrijven is een krachtig herfstbeeld.  Je rakelt doorheen je ideeën, zuivert ze door het pennen.  Elke schrijver is een bladharker.  Je groeit doorheen je ervaringen een forse boom in je hoofd en laat al schrijvend de bladeren overheen je bladen dwarrelen. 
Een herfstgedachte zit vol warm en koud.  Doorheen het gure weer brandt het aardkleurige landschap.  De onoplettende schrijver loopt het gevaar door die overvloed aan kleur en tint in een kleurloos palet te belanden, alwaar grote tegenstellingen en vage penseelstreken z’n schrijfwerk doen verbleken.  Vol weemoed leest de kleurenblinde schrijver z’n pennestreken en verdrinkt in een gevecht om z’n grijze woorden op te smukken.  Het wordt buigen of barsten.   De literatuur kent geen genade.
De eerste koude nacht van het jaar herken je aan de laatste warme dag.  Hoe vroeg sluit de joelende, wroetende menigte zich dan op, om de steden in een klamme stilte te dompelen.  De steden worden aan de rotvaart der dwarrelende amaranten overgedragen.  De kilte worstelt zich om de mensen heen, graaft zich in in hun verstommende tong.  Ze krimpt de mensen, pakt ze in in een vriezige vacht.  Hoe zuiver ook de lucht, des te stoffiger wordt de mens.
Hoe plots deze wending zich ook lijkt voor te doen, reeds gedurende de dag zit de kalme kilte reeds onder de mensenhuid ingegraven.  Bij de invallende duisternis braakt de koude zich een weg doorheen hun bevende handen.  De mens struikelt over de statige steen waarmee de fundamenten van de winter worden gelegd.  Hun geloof brokkelt weg doorheen hun brokkig bevroren tranen.  Wat overblijft is een ijsberg waaronder ze stevig slapen.  Eenieder schuift aan aan z’n eigen buffet.  Dromeloos, tomeloos, zichzelf opvretend, wachtende in een ovencel op het moment dat niet komt. 
Het invullen van een verlangen is geen eindpunt, het is een noodzaak.  Het creëert nieuwe verlangens, houdt de cyclus in stand.  Enkel zo is een streven naar perfectie mogelijk.  Enkel zo ontstaat kunst.  Enkel zo kleurt de dorre schrijver in een schijnbaar sterven z’n schrijfwerk in.

Rv39

Hartstocht

Begrepen worden is een beetje gegrepen worden.

Men zegt over liefde: het is hartstocht,
Echter, waar tocht welig woedt heerst vrijheid.
Waaien is deels in het rond graaien.

Men grijpt en snijdt de orde tot chaos.
Men beeldt uit wat ingebeeld moet worden.
Men dartelt waar men sluipen moet.

Begrepen worden is een beetje gegrepen worden.
Hartstocht zal nooit tot liefde verworden.


RV39

donderdag 28 juli 2011

Maagd, mijn Ria

Onder het statige gezag
Van de dromende eik
En zie!
De maagden zijn neergekomen
Schrijdende, de witte jurken verloren

Onder het zingen van haar reikende hand
Krachtenloos aanschouw ik haar blik
De voetsporen verkrampt
De maagden zijn reeds genomen
Enkel de dodenpleister zal hun verschonen

RV39

dinsdag 26 juli 2011

De gedachte aan jou

Met de gedachte aan jou ontsteek ik de kaars ven het eeuwige levensvuur.
De rust van de kandelaar als onbreekbaar fundament.
Je drijft mee op de kringen van de dansende rook, zwervend uur na uur.
Het kader: de nacht, waar geuren de kleuren verdijven.

We lopen in cirkels, kronkelen onder elkaars warme deken,
Beluisteren de stilte van bladgeruis en verre streken.
Het is de coïtale lust die ons beiden wekt en in ons weer het spreken schept.
Ik praat je naar de punt van m’n tong. Je luisteren: m’n zielenbron.

Met de gedachte aan jou sluit ik knijpend de hand.
De mousse die ooit je hart was vloeit van tussen de snijdende vingers.
Ik lik het bloed van m’n armen en zuig m’n palmen leeg.
De lach om je mond verraadt de aanblik van een stervende.

Als we nu es zouden wandelen gaan in het bos?
De wierook van de kruiden snuiven.
Ik laat je verdwalen onder het mos,
De smaak van de liefdesmoord over de lippen druipend.

De gedachte aan jou bezorgt me enkel nog een bladluizige jeuk.
Het ijs waarover m’n leven voortgleed breekt en spiegelt zich in de vijvers van je luchtkasteel.
Enkel de cirkels, kronkelende rook van je uitgebluste kaars,
Zullen nog tijdelijk dit paradijs benevelen.


RV39