donderdag 20 oktober 2011

Onder de linde

Onder de linde te rusten.
Zwervend met de wind door het jonge gras.
Mijmerend naar je woorden,
of, hoe je m'n oren kuste.

Ik neem een loop met de tijd,
denk me over gisteren naar later.
Je vloeit uit m'n lijf,
het ontgiftende water.

De vrieskou brengt een glas geluk
halfvol de halflege draak bezwerend.
Het zuur dat we nooit blusten.
Onder de linde te rusten.


RV39

woensdag 12 oktober 2011

Deze duin

Vanop deze duin heb ik je meermaals geschreven.
De pen, zingend met de zee.
Wiegend het helmgras bevelend.
Het eindeloze uitzicht heb ik een blad gegeven.

Ik streek er je wilde haren
met de glans van de zon in je ogen.
Proefde er je zoute huid,
waar ik elke parel vanaf heb gezogen.

's Avonds, onder de naakte maan
rolde ik naar de voet,
om van beneden, jij op je sokkel,
te streven naar je gloed.

Deze duin is waar ik je houd.
Waar ik op wandel doorheen dit liederlijke leven
al reizende rijzen kan.

Je maakt me wijzer, in eenvoud.
Deze duin is waar ik je houd.


RV39

woensdag 5 oktober 2011

De stilte

De stilte.
Je draagt ze als deken.
Ze houdt je warm,
tot 's ochtends de zon je ogen vindt.

De dag doet honger en dorst verslaan.
Z'n vloed likt je tenen.
Elkaar vleiend, hand in hand,
ons de zinnen strelend.

Ik bouw m'n huis op je erf,
zodat je rondom me woont.
Grazend aan je lippen
is 't de ziel die zich ontbloot.

Waar ogen sluiten, openen de handen.
Waar je bloed stroomt, ruist het verlangen.
Waar je stappen staan, veegt de branding.

De stilte,
ze ademt met ons mee,
onzichtbaar omarmend,
behuist ze ons prieel.

RV39

maandag 3 oktober 2011

Celine

Je blik vervloeit.
Het zoute van je tranen,
je ziet ze van dichterbij dan ikzelf.
In hun vloeiend zwoegen willen ze smeken gaan
tot het geluk hen vervoegt.

De wegen van het leven
hebben je eruit geleid.
Wat begon als smekend wenen
heeft je nooit verblijd.

Je blik óvervloeit,
hult zich in satijnen gewaden.
Waar we voorheen hebben gezongen en gezworen
kan enkel de doodse stilte ons nog bekoren.

RV39

Je woorden

Je draagt je leed als een pels,
de omgeving van je afborstelend.
Onder hetgeen je me vertelt
verstar ik, je woorden hebben me bedolven.

Met je scheppen wordt in mij de vlucht geschapen.
Het niet willen zijn is waarin we beiden slapen.


RV39

dinsdag 6 september 2011

De maan

Ik denk : "Ik verlig m'n hele, scheurende leven
onder een laken van glansloos glazuur.
Anders kon ik haar licht wel zien;
Becirkeld over haar littekens, het hellevuur."

Ze groet me met natte borst
die haar zachte voetsporen
over m'n handendal druipen
de kroon op het werk: zoetheid en dorst.

Ik honger haar op,
Plaats haar handen in m'n haar
Zorgeloos over m'n zachte vlees bekommerd:
rafelend, het kleed der licht dat ze draagt.

Even, guur als warmte kan zijn,
Vreet de snoodaard haar op.
Als noodzakelijk vermaak
grijnst de zon haar toe: het genadeschot.

RV39

Vleugels

Ik verrijkte je hand met vleugels.
Zo ging ie in z'n strelen zweven.
Bereikte de bodem van je spreuken.
Met hen kon je me het slapen geven.

Zo verbloemd je woorden,
zo verzoenend ons gesprek.
Zo verstaanbaar je gezegden,
zo verstaand m'n oor te luisteren.

Gedrengd in al waar we van droomden,
leeft heden met ons het beest.
Rillend nat, de ontgoocheling brakend,
over al wat nooit echt is geweest.


RV39
06-09-2011