Op bezoek in een houtzagerij kwam ik haar tegen. Een heldere, gerichte blik; een vrije, spontane glimlach; nette, halflange haren. Er vielen zaken te doen. De zagerij had mooie houtkrullen tegen een haalbare prijs. Een deal leek snel beklonken, dus kabbelde het gesprek snel verder naar andere oorden. Ze stelde zich voor als Claire. Bij het horen van haar naam betrapte ik m’n gedachten erop heel even in een schunnig hoekje te zitten. Claire nodigde me uit op haar boerderij wat verderop.
We vlogen erheen per helicopter en cirkelden eerst een tijdlang over het domein. Er stond een groot Barok kasteel in rode baksteen, nauwkeurig en fleurig afgewerkt met witstenen ornamenten. Op het glooiende terrein stonden ontelbare dierenkooien in koloniale stijl. Er stond ook een prachtige paardenstal. De stal, tientallen meters lang en metershoog, zag eruit als een paleis. Doch herbergde het reusachtige bouwwerk slechts een dozijn rijdieren.
Eens geland, wandelden we door de glooiende tuinen tussen gladgeschoren beukenhagen en rozenperken. We kwamen op een lichthellend tapijtvlak gemaaid grasveldje. Overdonderd door de praal die de locatie tentoon spreidde, voelde ik de drang haar hand in de mijne te nemen. Ik deed het niet. Ik werd uit m’n peinzende afwezigheid gehaald door Claire. Ze riep een stalknecht om een van de paarden te laten zien.
Een vaalbruine, gespierde merrie kwam uit de stallen gegallopeerd en stopte gedisciplineerd recht voor ons. De linkerkant van het dier was tot in de puntjes verzorgd. Kort geschoren en blinkende haren, netjes gevlochten manen. De rechterkant had lang, klittend, totaal onverzorgd haar, als dat van een bobtail die maanden door een of andere modderige jungle had gewroet. We keurden het paard. Onderwijl kwam van aan de andere kant een rosbruin langharig veulen afgewandeld. Het herkende de merrie meteen als moeder. De dieren liepen op elkaar af en streelden elkaar met het hoofd. Claire liep de stalling binnen, terwijl ik nog even bleef staan omhet tafereel te aanschouwen.
Kort daarna kwam Claire uit ‘het paardenpaleis’ met een nachtzwarte hengst aan de teugel. Ze stond ongeveer honderd meter van me verwijderd. Op dat moment keerde de merrie zich van haar veulen af en begon wild stampend rondom me heen te rennen. Ik werd bang. Na enkele rondjes rondom me heen te hebben gegallopeerd viel de merrie me aan. Ze sprong op mij en vertrappelde me. Ik voelde weinig pijn, het was hem om de angst te doen. Claire schreeuwde me toe dat ik het veld moest verlaten, wat me vreemd genoeg onder het stampen van de merrie lukte.
Ik vertelde haar dat ik haar door had en vroeg me hoeveel houtkrullenhandelaren ze zo al had wijsgemaakt dat er zaken te doen waren, terwijl daar niets van aan was. Ik vroeg haar hoeveel mensen ze zo reeds had pijn gedaan. Ze riep: ‘Ontelbare!’ Ik zweerde nooit meer iemand te geloven en verliet het domein. Een hoge gietijzeren poort sloot zich automatisch achter m’n rug. Ik werd omvergewaaid door de luchtverplaatsing ervan en kreeg het verschrikkelijk koud, daar op de grauwe straatstenen voor de gesloten poort. Op de steunmuur naast de poort hing een bordje met de afbeelding van de Heilige Petrus.
Rv39
Geen opmerkingen:
Een reactie posten