Ik vind mezelf in overlevingsmodus ronddwalen in een heuvelachtig landschap. De door wind geërodeerde kalkgrond zet z’n scheermesjes in m’n inmiddels doorbloede, ongeschoeide voetzolen. Met elke stap die ik zet, scheurt het leer dat hen bedekt verder open. Vastbesloten waad ik verder doorheen deze nieuwe tijd. De pijn verdragend tot die ondraaglijk wordt. In dat geval zal de pijn me wel dragen. Het is bijna niet te geloven dat de broze, kantachtige kartelingen in deze stenen bodem een laken van leed over een mens kunnen werpen. Nog minder te geloven is dat deze eigenste plek duizenden jaren geleden de zeebodem was. Waar toen creaturen van allerlei vinnage zwommen, zachtheid en zweverigheid tentoon spreidend, zwerm ik nu over stekelige kalkruggen, de pijn als enige compagnie, de gedachten op nul. De orkaan die dit alles veroorzaakte is reeds enkele dagen uitgeblazen. Het zal mij en de zich herstellende wereld wellicht langer duren alvorens te kunnen uitblazen. Het enige wat nu telt is overleven en het beschaafde, onbeschadigde land terug vinden. Ik waad verder.
Na enkele verwoede pogingen en aangestuurd door de sluimerende uitputting, krijg ik op den duur m’n gedachten op gang. In het begin enkele korte flitsen. Deze tocht is zoals schrijven. Schrijdend schrijven. De ogen de woorden, de voeten de pen. Korte, onsamenhangende gedachtenflitsen volgen elkaar in steeds hogere frequentie op. Wat begon als één enkele losse prikkel wordt al gauw een reeks ideeën. Het ene stuwt het andere vooruit. Tot de stroboscoop in m’n hoofd te weinig ruimte heeft en z’n licht uitbraakt. De gedachten rollen over m’n gehavende lompen, vloeien naar m’n bebloede tenen. Ze strooien een pad doorheen dit brute landschap voor me uit. Ze dekken de kalken scheermesjes toe en bieden me een verademend tapijt. De pijn, verlost van m’n klaagzang, zoekt andere oorden op. De gedachten nemen stilaan een grijpbare vorm aan. Hun geëffende pad stuurt me naar een met drijfzand gevulde poel.
Drijzand. Ik zie het niet. Wat voor me ligt is niet wat via m’n hersenen m’n netvlies raakt. Voor me ligt de intermenselijke relatie. Rustend, in z’n drijven gedreven, z’n verhaal vertellend. Wie een relatie aangaat stapt een dergelijke poel binnen. Wie als een slijkspringer met z’n rake bokkesprongen aan het oppervlak kan blijven en z’n voedsel uit de lucht kan happen, zal er een aangenaam leven kennen. De relatie wordt z’n biotoop, z’n levensbron. Wie echter onophoudelijk moet wroeten en vechten om aan het oppervlak te blijven, zal steeds dieper wegzakken. Het drijfzand der liefde kent geen genade. Hij die in de modderpoel een huidverzachtend kussen vindt, zal in alle zielenrust, nacht na nacht de vredige slaap kunnen vatten. Hij die enkel de koude ervan voelt wordt langzaam verstikt en verzwolgen. Daar de levende de dode niet bij zich duldt, wordt het schisma hun enige lot. Wie moet vechten om te overleven grijpt beter een tak en trekt zich er beter uit. Zoek alle houvast die je hebt, schraap je moed bijeen en verlaat de wateren die je de warmte van de zon ontnemen.
Ik bedenk me dat dit net is wat ik nu ook moet doen. Die vreselijke orkaan mag me dan hebben verzwolgen, ik wil overleven. Ik raap een tak van de grond, schraap m’n moed bijeen en wandel verder, op zoek naar warmte. Wandelstok en man op weg over het tapijt der gedachten. Uit m’n voeten bloedt m’n hart.
Rv39
Geen opmerkingen:
Een reactie posten