woensdag 10 september 2014

Vastheid

Je staat hier voor mij
Half aangekleed, de huid die je het meest omklemt doorgevend.
Je bent bij mij, je draagt wat je niet loslaten kunt.
Met je vingers de deken die je blust wevend.

Je kneedt de tijd, schuifelt, de dans die nooit verblijdt.
Je groeit, onzichtbaar, de plant die met de wortels graaft.
Steeds dieper de kilte zoeken, het licht verblindt.
Je bleke ogen kleuren mee met je schroeiende huid.
Ook in jou graven de wortels, het bloeien van een kind.

Je staat hier voor mij
Onbewogen, tegen de wind in leunend.
Letter voor letter, je tong schrijft
Het is deze vastheid waarop we steunen.

De liefde wordt na de daad bedreven.
Het is hoe je voor elkaar bezwijkt.
Na het kreunen komt weer dat leunen en steunen,
ziet men echt hoe men kijkt.
Jouw diepe wortels hebben me verrijkt.

RV39

Laat me

Je spiegelt de zee, moeder van het leven
Je vergiet wrijvend haar zand
Je vergeeft de heuvels hun greep.

Je bouwt je kelders in je schuilen
Je bleekt de zon met schrijvend huilen
Je vergaat tot het stof dat het krijt je geeft.

Laat me in je ogen
Laat me je ogen
Laat me

De plaag bestaat niet
We vreten enkel het dier
dat er het 'best' uitziet

We zieken onszelf
Sterven gerief-lijk
Wenen met elkaar mee.

Laat me in je ogen
Laat me je ogen
Laat me

Ik sta op en zijg niet meer neer
Ik pols naar mijn handen
Ik vergeef de heuvels hun greep

Ik vergiet wrijvend haar zand
Ik spiegel je, moeder, je leeft
Je blik voor eeuwig op de zee.

Laat me in je ogen
Laat me je ogen
Laat me

RV39

woensdag 27 november 2013

In jou steeds die wasem

In jou steeds die wasem,
de waas waaraan ik me warm.
De pleister om de zuilen,
het steunt de ziel en omarmt.

Je spreekt traag vandaag,
loom je letters tellend.
Je spreekt raak vandaag,
je tong smelt in de omklemming.

In jou steeds die wasem,
de zucht als in slapen.
Je bent de harlekijn
waaraan de dromen zich vergapen.

Je spreekt vaag vandaag,
alsof je in de zon verdwijnt.
Je spreekt graag vandaag,
je bent meer dan schone schijn.

In jou steeds die wasem.
Eb en vloed spoelen je woorden.
Je geeuw gaapt als de fles,
wiens echo we galmend horen.

RV39

dinsdag 26 november 2013

Voorop: de fanfare

Het beeld van de velden sterft,
ingegraven in eigen grond.
De kou vuurt z'n pijlen.
De avond verknipt de lont.
Voorop: de fanfare.

Ik aanhoor hun krijsen,
de duw van het balkon.
Na de val volgt steeds geklauter,
weet van knecht tot baron.
Voorop, de fanfare.

Met jou zal ik zingen,
als ik de sleutel krijg.
Onze stemmen weven het laken,
waaronder muziek zich vleit.
Voorop: de fanfare.

RV39

zaterdag 2 november 2013

Glorie

De klaarte vloeit, ze wikt de rimpels in het gordijn.
De vezels tellen.  Het mag ietsje meer zijn.
De beenhouwer rekt zich.
De spruit krult op.  Kleine dommelein.
De dauw drinkt planten. Het orgel wijn.

Ik trek de ochtend aan de mouw.
Wil je echt niet mee wandelen gaan?
Glorie ligt veelal over de berg.

De veelvraat slikt m'n vragen met kracht.
De kiezen kneden.  Brood dat als brood vergaat.
De levenslijn in de knoop.  De levensloop.
De prooi gooit zich naar de jacht.
De sterren plukken de nacht.


RV39

dinsdag 22 oktober 2013

Krijtstof

Je adem blaast het krijtstof op de vensters.
De zon glazuurt.
vergeten staar ik.
De ochtend wint vuur.

Steeds onderweg, je woorden
als kussen in de hals.
De warmte sneeuwt weg
Je dampt naar verre oorden.

Je adem blaast het krijtstof op m'n venster
In kaarslicht: de wassen waas.
Je heft m'n voeten,
spuwt je gensters.

Steeds onderweg, je fluistert.
Schuifelen is je luister.
Aarzel niet, prinses, ik vlei.
Deze bedsprei houdt je gekluisterd.

RV39

dinsdag 4 juni 2013

Celine II

Ook al zag ik je reeds lang niet meer,
Je bent dichtbij, ik wandel voorbij.
Je hangt als je kleren aan de wasdraad,
ik die erdoorheen waad.

Ik hengel naar je stem,
fluisterend, de baren van de weidse wereld,
Je zucht met de wind.
M'n lippen drogen op, m'n kind.

Ik streel je mouw,
Ik voel de vezel van ons samen zijn.
M'n vingers hebben de stof geheeld.
Niemand die deze bijeenkomst deelt.

We verstoppen ons in onszelf,
schuren over elkaar heen,
Je waaien is ons varen,
Ons vluchten brengt ons de vruchten van weleer.

De dagen zijn als grijsaards met botte stokken
Zwaaiend, graaiend naar wie zich te dicht begeeft.
Hier, jij en ik, de waslijn in de hand,
keren nooit meer weder naar dit oude land.