donderdag 1 september 2011

Deze herfst

Ook na het afsterven van de bladeren
wil ik nog in je groene ogen kunnen kijken.
Een onversneden groente vol begrip.
Met hun puurheid laten ze hun verlangen blijken.

Ik verlaat m’n bad met het zelfontbrandende water,
droog me met de kalk omheen je lippen,
adem hun nevel, dep ze met m’n stem
en sleep me rillend naar de klippen.

Hier overzie ik m’n spijt
Hier berust ik in m’n zijn
Hier zing ik naar de branding van de tijd

Deze herfst heeft me koud gemaakt.
Ze streek me de kilte door de haren.
Daardoor heeft ze me vrij gemaakt.
Met haar grillen maakte ze me de hare.

Het is een tijd van zegevieren en verleiden.
Het buitmaken van het aardse goed.
Wie niet slaagt blijft ontdaan op de vlakte,
enkel vaag gedenkend: het leven in overvloed.

Daar ondergaat men de spot
Daar, in het slijk in de grot
Daar ligt men afgestoten door elke God

Straks zullen we op het gevallen bladerdek rusten gaan,
verenigd in het omhelzen onze adem warmend.
Alles wat ons niet is blijft buiten staan.
Harde tijden hebben hun charmes.

Ook na het afsterven van de bladeren
kijk ik in je groene ogen.
Een groente die me voedt met begrip.
Hun puurheid heeft me meegezogen.

RV39
01-09-2011

The winner takes it all


Aan de bar bij een koffie
en kijkt mij glazig, wazig
naar andere tafels waar
de kaarten verloren liggen


RV39

dinsdag 30 augustus 2011

Ongedwongen varen

De grootste berg beklom ik
om je van verder te zien naderen.
M’n wachten gaf ik je mee als gezel
op je tocht doorheen bossen en wateren.

Fluisterzacht je schreden, alsof ze
in het ochtendgras hopen te spelen.
In je komen delen we een lach,
ons stap voor stap van de afstand helend.

Geef me een niets te verliezen
waarin ik me nestelen kan
tot alle kaarten verloren liggen

Geef me de zekerheid van de tweede kus
waar je alle zonde, elke
tekortkoming mee naar binnen zuigt.

Intussen heb je reeds alle paden betreden
en rust je in de schaduw van ons verleden

Je spuugt wat je ooit oplikte
Je braakt telkens je waakt
Je stilstaan is je vlucht

De grootste berg verleent me de diepste val.
Hoe ver m’n ogen ook reiken, nooit zullen ze je bereiken.
Toch sluit ik ze pas als ze enkel nog kunnen staren,
dromend van een oord waar in stilte drijven
aanvoelt als ongedwongen varen.


RV39

woensdag 24 augustus 2011

Een cliché doorgrond

Liefde vraagt offers. Zoals bergen nood hebben aan dalen om op te rusten, rust de liefde op tegenslag en ontgoocheling. De ware kracht van dit gevoel, van deze onovertroffen energiebron, ligt in de spanning die het onttrekken aan de laagtes met zich meebrengt. Zoals de berg kraakt en worstelt, scheurt en splijt om met z’n kruin de hemel te kussen, vecht ook de liefde zich een baan naar de opperste verlichting. Hij of zij die het wroeten schuwt, vloeit spoedig verbrokkeld en geërodeerd naar zee. Het tranendal der geslagenen. De soep der vernedering, alwaar enkel de beste stukjes nog kunnen dienen als voeding voor de bouwenden.
Soms droom ik er wel eens van om in de woeste baren van deze ellendige vergeetput te belanden. Zwemmend alle viezigheid van de mij omsluitende wateren in me op te nemen en onder de deken van de anonimiteit, in het herzuiverde water, een klein eilandje hemelwaarts te stuwen. Een klein, gezellig warm paradijsje, een zonnige plek met plaats voor twee, waar honger en dorst worden gelaafd met vondsten uit de ons omringende zee. Zo wordt ook die miezerige poel minder diep, wordt het eiland in puurheid gedoopt. De wereld verschoont. Geen berg hoeft m’n geluk te wezen. Een klein, geborgen eiland, rustend tussen offer en geluk is mijn ultieme droom.

Rv39

dinsdag 23 augustus 2011

Ik, die m'n eigen weg (zal) ga (an)

Ik beletter de kalk aan mijn plafond
met de tegels van de tijd.
Kijk terug naar hoe ik m'n jeugd verslond.
De vraatzucht, heden belegen in spijt.

Doch, het tranen heeft niks weggespoeld,
geen katten verbannen van honden.
Enkel duizenden bedden, ik woel,
schreeuw uit miljoenen gravende wonden.

Later, want nu hoor ik niet,
zal ik zelfs mezelf verstaan
en me strelen aan m'n huid zo bitter
dat ik m'n eigen weg zal gaan.


RV39

donderdag 18 augustus 2011

Rozenvensters

Je ogen. Ze staan als rozenvensters in je kathedraal.
Op het vertrouwen in hen zullen we bouwen.
Ik aanhoor hoe ze in koor zingen gaan, samen met je lach.
Hij lijkt uit verlegenheid geboren,
hij lijkt uit je irissen diamanten te houwen.

's Nachts wuif je me toe in m'n dromen
om elke ochtend met me op te staan.
Je bent de gezel die me rust aanjaagt.
Ik voel de vrede in de palm van je hand
en bid je elke dag de weg naar het geluk in te slaan.

M'n wereld heb ik van jou geleerd.
Ginds, in de branding van de tijd.
M'n oren tegen je woorden leunend.
Doch, m'n wereld ligt verzonken,
dit alles ten spijt.


rv39

Gesloten je ogen

Gesloten je ogen telkens je me ontvlucht,
alsof je niet weten wilt waarheen te gaan
dan daar waar je gedachte je leidt.

Vervlogen, telkens je beeld,
dat steeds, na het vertellen van m'n leer,
de deurpost van je aanblik heelt.

Ik sluit de deur achter je aan
na het snuiven van de lucht,
achtergelaten door het waaien van je vlucht.

Spijt heb ik niet,
want je telkens verhuild,
begraaf ik het gemis in de diepte van een kuil.


RV39