Ik deel jouw lach
jouw blik
jou
met die dagen die met ons gaan
met de horizon die steeds verbreedt
met wie na ons komt en kruipt en praat
met de zegen die jou omgeeft
Ik ben bij jou als de was aan de kaars
Je bent mijn licht en ik die aan je kleef.
Jouw warmte maakt me week
Ik ga op in rook die jouw hoofd omgeeft.
Je geeft mij jouw liefde
mij jou
om mij
Ontloken aan de lentemiddag
werd ik overgoten door bekoorlijkheid
De gezellige gezel die me grappig streelt
met de zegen die jouw omgeeft.
RV39
woensdag 14 februari 2018
zaterdag 31 december 2016
Ze danste
Ze danste zich bij me binnen.
Ik gaf het een kans.
In mij zweeft wat anders verloren gaat.
Ik wentel me in de nacht, om haar.
Zet me naast haar zachte zinnen.
We delen een hand,
waarin ons vuurtje laait.
Het stof op onze jas waait op.
Het verdwaalt in de zaal
tot het tegen de lamp verbrandt.
We geven wat we kunnen.
Geven in en om elkaar.
We spreken zonder te zeggen.
Onze blikken lachen vaak.
Leven is het gulle gunnen.
RV39
Ik gaf het een kans.
In mij zweeft wat anders verloren gaat.
Ik wentel me in de nacht, om haar.
Zet me naast haar zachte zinnen.
We delen een hand,
waarin ons vuurtje laait.
Het stof op onze jas waait op.
Het verdwaalt in de zaal
tot het tegen de lamp verbrandt.
We geven wat we kunnen.
Geven in en om elkaar.
We spreken zonder te zeggen.
Onze blikken lachen vaak.
Leven is het gulle gunnen.
RV39
donderdag 29 december 2016
Dichter, dichterbij.
De wandeling van gisteren
vriest nog aan mijn handen.
Ze kleeft haar adem op mij.
Zo dicht dat ik ze niet kan omarmen.
Dichter, dichterbij.
Op jacht naar slaap schiet ik een geeuw.
De kooi waarin de rust me bindt.
Gisteren waren we met twee.
Lachend van jij naar ik
en we speelden in de wind
die onze hartenwens toeblies.
Hij ruimde onze harten.
Op weg naar daar is nog steeds hier.
De prooi die een sluipweg vindt.
Een nieuwe dag bracht ons zijn licht.
Eerst aarzelend, het tekende ons, languit.
Vandaag spelen we niet mee.
De zweep klapt met ons dicht.
Dichter, dichterbij.
RV39
vriest nog aan mijn handen.
Ze kleeft haar adem op mij.
Zo dicht dat ik ze niet kan omarmen.
Dichter, dichterbij.
Op jacht naar slaap schiet ik een geeuw.
De kooi waarin de rust me bindt.
Gisteren waren we met twee.
Lachend van jij naar ik
en we speelden in de wind
die onze hartenwens toeblies.
Hij ruimde onze harten.
Op weg naar daar is nog steeds hier.
De prooi die een sluipweg vindt.
Een nieuwe dag bracht ons zijn licht.
Eerst aarzelend, het tekende ons, languit.
Vandaag spelen we niet mee.
De zweep klapt met ons dicht.
Dichter, dichterbij.
RV39
zaterdag 2 januari 2016
Dirk Kerckhof
Dirk. De rode draad van jouw leven is een web.
Het hangt breed uitgesponnen over alle windstreken.
Jouw volgen was soms een ware queeste.
Elke rimpel van de wereld heb je met jouw vrede gestreken.
Vaak vloog je door je dagen. Je leefde om te beleven,
maar vooral om aan iedereen te geven.
Vriend. Sterk met je armen om ons heen.
We rolden over de grond met jouw bulderlach.
Nagalmend om de grap die je vaak zelf vergat.
Bij jou had welkom een stoel. Bij jou was het goed.
We dragen het brons uit je woorden - dat wat niet vergaat - op de lippen.
De woorden die we van jou hoorden, spreken we graag.
Man. Jouw liefde was lang. Een leven lang.
En slank. Ze sloop doorheen mijn aderen.
Jouw handen waren warme wanten. Onze vingers werden verwanten.
Je was lief in trouw en trouw en lief. Je hebt mijn acht vette jaren opgedirkt.
We hebben dag na dag samen de wereld vergaard.
Onze reizen brachten ons overal, maar steeds weer bij elkaar.
Vader. We leefden in jouw adem. Onder jouw rijke woordenvloed.
Als een herder heb je ons van honger, dorst en gevaar behoed.
We genoten van je vreugde, de glans van jouw lach.
In de donkere dagen heb je steeds het licht teruggebracht.
Als ridders streden we dan. Zij aan zij. Winnen bestond niet,
maar altijd knielde 'ik' voor 'wij'. We delen jouw vreugde, jouw kracht.
Dank je voor jouw dagen. Jouw vragen.
Je wilde steeds weten wat we wensten en droomden.
Hoe het met ons ging. Hoe we er zo goed uitzagen.
Je stond klaar voor wie er nood aan had.
Jij ziet er goed uit, Dirk. Besproken in onze mooiste woorden.
Als een wakende ster in de helderste nacht over onze mooiste dromen.
RV39
Het hangt breed uitgesponnen over alle windstreken.
Jouw volgen was soms een ware queeste.
Elke rimpel van de wereld heb je met jouw vrede gestreken.
Vaak vloog je door je dagen. Je leefde om te beleven,
maar vooral om aan iedereen te geven.
Vriend. Sterk met je armen om ons heen.
We rolden over de grond met jouw bulderlach.
Nagalmend om de grap die je vaak zelf vergat.
Bij jou had welkom een stoel. Bij jou was het goed.
We dragen het brons uit je woorden - dat wat niet vergaat - op de lippen.
De woorden die we van jou hoorden, spreken we graag.
Man. Jouw liefde was lang. Een leven lang.
En slank. Ze sloop doorheen mijn aderen.
Jouw handen waren warme wanten. Onze vingers werden verwanten.
Je was lief in trouw en trouw en lief. Je hebt mijn acht vette jaren opgedirkt.
We hebben dag na dag samen de wereld vergaard.
Onze reizen brachten ons overal, maar steeds weer bij elkaar.
Vader. We leefden in jouw adem. Onder jouw rijke woordenvloed.
Als een herder heb je ons van honger, dorst en gevaar behoed.
We genoten van je vreugde, de glans van jouw lach.
In de donkere dagen heb je steeds het licht teruggebracht.
Als ridders streden we dan. Zij aan zij. Winnen bestond niet,
maar altijd knielde 'ik' voor 'wij'. We delen jouw vreugde, jouw kracht.
Dank je voor jouw dagen. Jouw vragen.
Je wilde steeds weten wat we wensten en droomden.
Hoe het met ons ging. Hoe we er zo goed uitzagen.
Je stond klaar voor wie er nood aan had.
Jij ziet er goed uit, Dirk. Besproken in onze mooiste woorden.
Als een wakende ster in de helderste nacht over onze mooiste dromen.
RV39
dinsdag 4 augustus 2015
De ochtend
We drijven op elkaar. Wolken houden de wacht.
Ik blaas zachtjes. Je woorden druipen.
We glijden over korrels die keien lijken.
Ons zandkasteel verzuipt met de nacht.
Ik ben de omgevallen, leeggelopen fles op
het tweede schap. Mijn rol is net dat niet te
doen. Niemand die graag scherven raapt.
Ik lig gewoon en slaap.
Je trekt het kruit uit je nagels,
tegen de ochtend, als je handen aan het werk gaan.
Ik houd van je vingers. Zonder hen
zouden je armen enkel slaan. Onze handen
klimmen in elkaar. Ik heb je grijpgraag.
Mijn hoofd rust in je kraag, waar ik lucht
van je krijg, waar ik bouw in de nestels van
je haar. Jouw hals maakt jouw fluisterwoorden
en die hoor ik traag. De ochtend maakt
dromen klaar.
RV39
Ik blaas zachtjes. Je woorden druipen.
We glijden over korrels die keien lijken.
Ons zandkasteel verzuipt met de nacht.
Ik ben de omgevallen, leeggelopen fles op
het tweede schap. Mijn rol is net dat niet te
doen. Niemand die graag scherven raapt.
Ik lig gewoon en slaap.
Je trekt het kruit uit je nagels,
tegen de ochtend, als je handen aan het werk gaan.
Ik houd van je vingers. Zonder hen
zouden je armen enkel slaan. Onze handen
klimmen in elkaar. Ik heb je grijpgraag.
Mijn hoofd rust in je kraag, waar ik lucht
van je krijg, waar ik bouw in de nestels van
je haar. Jouw hals maakt jouw fluisterwoorden
en die hoor ik traag. De ochtend maakt
dromen klaar.
RV39
vrijdag 22 mei 2015
Ik draai de rug
Ik draai de rug naar wie me aansprak.
Ik grijp de woorden als een baby.
Ik neem ze stuntelig in de tang, zwaai ze om de oren.
Ik lig over de vloer gespreid. Te rug verloren.
Het kleed dat je draagt verliest z'n rafels in m'n handen.
Het is de stof die het bloed onder mijn nagels vaagt.
Je baant je weg, je laarzen die m'n voeten omranden.
Ik wandel met je mee omdat je 't zo lief vraagt.
Geef me niet.
Beleef m'n verdriet.
Maal m'n tanden.
De tijd liegt.
Ik speel met jou, jij kitten van plezier.
Ik aai, maai mijn armen door je haar.
Ik weet me blijf met jou. Ik houd je hier.
Ik draai de rug van je weg. Ik kus je klaar.
RV39
Ik grijp de woorden als een baby.
Ik neem ze stuntelig in de tang, zwaai ze om de oren.
Ik lig over de vloer gespreid. Te rug verloren.
Het kleed dat je draagt verliest z'n rafels in m'n handen.
Het is de stof die het bloed onder mijn nagels vaagt.
Je baant je weg, je laarzen die m'n voeten omranden.
Ik wandel met je mee omdat je 't zo lief vraagt.
Geef me niet.
Beleef m'n verdriet.
Maal m'n tanden.
De tijd liegt.
Ik speel met jou, jij kitten van plezier.
Ik aai, maai mijn armen door je haar.
Ik weet me blijf met jou. Ik houd je hier.
Ik draai de rug van je weg. Ik kus je klaar.
RV39
zondag 17 mei 2015
Een glas water
Een glas water. Meer vraag ik niet.
Helder. Het vergeet je verdriet.
Samen drinken spoelt onze wonden.
Samen bloeden maakt ons verbonden.
We sluipen samen door het woud.
Op jacht naar andere dagen.
Gegrond, de aarde ligt koud. Klevend.
Kille rovers die onze dromen dragen.
Ik heb het vinden van jou geleerd,
prinses die me grijnzend bereed.
We graven onder onze voeten naar meer.
Draaien de kluiten in ons kleed.
Een glas water blust onze brandende mond,
dompelt onze vragen,
verbleekt wat onze ogen donker maakt.
Met en in jou heb ik mijn dorst gelaafd.
RV39
Helder. Het vergeet je verdriet.
Samen drinken spoelt onze wonden.
Samen bloeden maakt ons verbonden.
We sluipen samen door het woud.
Op jacht naar andere dagen.
Gegrond, de aarde ligt koud. Klevend.
Kille rovers die onze dromen dragen.
Ik heb het vinden van jou geleerd,
prinses die me grijnzend bereed.
We graven onder onze voeten naar meer.
Draaien de kluiten in ons kleed.
Een glas water blust onze brandende mond,
dompelt onze vragen,
verbleekt wat onze ogen donker maakt.
Met en in jou heb ik mijn dorst gelaafd.
RV39
donderdag 14 mei 2015
Groeien
Heb ik je reeds verteld over de dagen van groeien?
Hoe groter ik leefde, bewoog, speelde,
hoe kleiner mijn woorden.
Ik groeide in mijn denken.
Snoeide met de kanker die m'n spreken doorboorde.
Spoedig ben je verloren. Spoedig leg je het leven
naast de afwasborstel in het naschuimende aanrecht.
Riekend naar vergeten vet en rommelige struiken.
Je sluipt naar de dood, pleegt voor onze ogen je eigen moord.
Toch is het gezellig.
Het is enig bij jou te zijn.
Brandweerman. Je blust je eigen hoop.
Delver van de put waarin je rusten moet.
Brancardier. Je draagt je dagen weg.
Brigadier, olifantenrijder, schrijver, eglantier.
Held van dit uur. In je zog de tranen van de menigte.
Ze schreeuwen om jou, plooien de rug in rouw.
Je gaf ons vragen om te eten en braakte die terug in ons leven.
Antwoorden als kolen groeiend, onmogelijk te verteren.
Jij die gaat, wij die je stappen tellen.
Vergeten plaatsen zijn er niet.
Je voeten planten de dauw op onze wimpers.
Onze gedachten strijken neer, verdorde vlinders.
We luisteren naar je reizen, je paradijs, je vertellen.
We wentelen om je graf. Kleven in het zand.
Druipen in de hooikoorts die je dodenkrans ons gaf.
De steen wordt stof en kruidt onze lach.
Het kruis heeft op je kruin zijn nest gebouwd,
Is je aan het bebroeden.
We vliegen onbehouwen verder, gebeeldhouwde herder.
Je blijft vervagend de afgebladderde kudde hoeden.
Het grazen is de vader van het nieuwe groeien.
RV39
Hoe groter ik leefde, bewoog, speelde,
hoe kleiner mijn woorden.
Ik groeide in mijn denken.
Snoeide met de kanker die m'n spreken doorboorde.
Spoedig ben je verloren. Spoedig leg je het leven
naast de afwasborstel in het naschuimende aanrecht.
Riekend naar vergeten vet en rommelige struiken.
Je sluipt naar de dood, pleegt voor onze ogen je eigen moord.
Toch is het gezellig.
Het is enig bij jou te zijn.
Brandweerman. Je blust je eigen hoop.
Delver van de put waarin je rusten moet.
Brancardier. Je draagt je dagen weg.
Brigadier, olifantenrijder, schrijver, eglantier.
Held van dit uur. In je zog de tranen van de menigte.
Ze schreeuwen om jou, plooien de rug in rouw.
Je gaf ons vragen om te eten en braakte die terug in ons leven.
Antwoorden als kolen groeiend, onmogelijk te verteren.
Jij die gaat, wij die je stappen tellen.
Vergeten plaatsen zijn er niet.
Je voeten planten de dauw op onze wimpers.
Onze gedachten strijken neer, verdorde vlinders.
We luisteren naar je reizen, je paradijs, je vertellen.
We wentelen om je graf. Kleven in het zand.
Druipen in de hooikoorts die je dodenkrans ons gaf.
De steen wordt stof en kruidt onze lach.
Het kruis heeft op je kruin zijn nest gebouwd,
Is je aan het bebroeden.
We vliegen onbehouwen verder, gebeeldhouwde herder.
Je blijft vervagend de afgebladderde kudde hoeden.
Het grazen is de vader van het nieuwe groeien.
RV39
woensdag 13 mei 2015
Jouw spreken
Je bent een tong met mooie woorden
die steeds in het avondzicht zachtjes aan m'n oren likt.
Je stem reikt z'n vingers, streelt me in het rond,
is de dag die plots zingen gaat.
Je stem is overal en nergens, een verloren god die zalft en slaat.
Ik drink
die steeds in het avondzicht zachtjes aan m'n oren likt.
Je stem reikt z'n vingers, streelt me in het rond,
is de dag die plots zingen gaat.
Je stem is overal en nergens, een verloren god die zalft en slaat.
Ik drink
Liefde is een meetlint
Ik kus je thuis. Onder de trap.
Het is op weg naar weg zijn.
Je bent lang. Een leven lang.
En slank. Je sluipt doorheen mijn aderen.
Ik neem je. Onder de loupe.
Ik wandel doorheen je poriƫn.
Vertoef op je huid. Zachtjes schuren.
Je woelt en ik voel.
Ik meet je op. Liefde is een meetlint.
We verstrengelen tot een kind.
Een nieuwe dag. Een kleine zon.
Je bent het licht dat om me ligt.
Ik lach om hoe het begon.
Ik kus je thuis. Onder de trap.
Het is op weg naar weg zijn.
Je bent lang. Een leven lang.
RV39
Het is op weg naar weg zijn.
Je bent lang. Een leven lang.
En slank. Je sluipt doorheen mijn aderen.
Ik neem je. Onder de loupe.
Ik wandel doorheen je poriƫn.
Vertoef op je huid. Zachtjes schuren.
Je woelt en ik voel.
Ik meet je op. Liefde is een meetlint.
We verstrengelen tot een kind.
Een nieuwe dag. Een kleine zon.
Je bent het licht dat om me ligt.
Ik lach om hoe het begon.
Ik kus je thuis. Onder de trap.
Het is op weg naar weg zijn.
Je bent lang. Een leven lang.
RV39
donderdag 16 oktober 2014
Je blijft een droom
Je te dragen
doorheen dagen als in zwanger zijn.
We leven verstrengeld
met ons leeft zondig de schijn.
Je te raken
met m'n woorden waarop je oor te slapen.
Je leunt tegen ze aan,
de kleffe lucht als tegenlicht.
Je te vragen
je aan de voeten klevend
Je serveert de schotel waaraan de toekomst vreet.
droge fonteinen op het doorregende plein.
Je te wraken
om de sleutel die je onder de deurmat liet
Voor al die bij ons wilde zijn.
de dorpel die dorpelingen verleidt.
Je te maken
vingerpopje van papier.
Je leeft door mijn strelen.
jouw lach is een teken aan mijn wand.
Je te smaken
taal en tong vloeien door mijn lijf
Godin die aan me lurkt
je blijft een droom in mij.
RV
39
doorheen dagen als in zwanger zijn.
We leven verstrengeld
met ons leeft zondig de schijn.
Je te raken
met m'n woorden waarop je oor te slapen.
Je leunt tegen ze aan,
de kleffe lucht als tegenlicht.
Je te vragen
je aan de voeten klevend
Je serveert de schotel waaraan de toekomst vreet.
droge fonteinen op het doorregende plein.
Je te wraken
om de sleutel die je onder de deurmat liet
Voor al die bij ons wilde zijn.
de dorpel die dorpelingen verleidt.
Je te maken
vingerpopje van papier.
Je leeft door mijn strelen.
jouw lach is een teken aan mijn wand.
Je te smaken
taal en tong vloeien door mijn lijf
Godin die aan me lurkt
je blijft een droom in mij.
RV
39
Alleen
Ik wandel over de zee.
Alleen.
Rijzend en dalend over golven.
Het schuim weekt m'n bleke kuiten.
Sereen.
Marmeren koppen waar ik over moet.
De horizon als vangnet.
Je weent.
Het zoute zonlicht kleeft je snoet.
Het weekt m'n bleke kuiten.
Alleen.
Wandel je over de zee.
RV39
Alleen.
Rijzend en dalend over golven.
Het schuim weekt m'n bleke kuiten.
Sereen.
Marmeren koppen waar ik over moet.
De horizon als vangnet.
Je weent.
Het zoute zonlicht kleeft je snoet.
Het weekt m'n bleke kuiten.
Alleen.
Wandel je over de zee.
RV39
donderdag 11 september 2014
Vacuüm
De ruimte tussen ons beweegt.
Een vacuüm waarin ons grijpen z'n netten weeft.
"Ik hou van jou" bleekt je lippen.
De kou smeekt de zon om z'n aanbidding.
We omhelzen. Kussen waar we slijmerig slapen.
We behelzen onze smacht in alle macht.
In dromen eten we de vrucht waar we ons overdag aan vergapen.
De dag heeft ons weinig gebracht.
Jij en ik. Gezellig. Gedempt. Het is dit.
We smeken de toekomst om halve dagen.
Beter komt na goed. Dit is wat moet.
Na het vele wachten hebben we niks te vragen.
De voeten dragen veel aarde.
De handen likken het bloed.
De uren stijgen per minuut in waarde.
De zee stuurt haar verwoestende vloed.
De ruimte tussen ons beweegt.
RV39
Een vacuüm waarin ons grijpen z'n netten weeft.
"Ik hou van jou" bleekt je lippen.
De kou smeekt de zon om z'n aanbidding.
We omhelzen. Kussen waar we slijmerig slapen.
We behelzen onze smacht in alle macht.
In dromen eten we de vrucht waar we ons overdag aan vergapen.
De dag heeft ons weinig gebracht.
Jij en ik. Gezellig. Gedempt. Het is dit.
We smeken de toekomst om halve dagen.
Beter komt na goed. Dit is wat moet.
Na het vele wachten hebben we niks te vragen.
De voeten dragen veel aarde.
De handen likken het bloed.
De uren stijgen per minuut in waarde.
De zee stuurt haar verwoestende vloed.
De ruimte tussen ons beweegt.
RV39
woensdag 10 september 2014
Vastheid
Je staat hier voor mij
Half aangekleed, de huid die je het meest omklemt doorgevend.
Je bent bij mij, je draagt wat je niet loslaten kunt.
Met je vingers de deken die je blust wevend.
Je kneedt de tijd, schuifelt, de dans die nooit verblijdt.
Je groeit, onzichtbaar, de plant die met de wortels graaft.
Steeds dieper de kilte zoeken, het licht verblindt.
Je bleke ogen kleuren mee met je schroeiende huid.
Ook in jou graven de wortels, het bloeien van een kind.
Je staat hier voor mij
Onbewogen, tegen de wind in leunend.
Letter voor letter, je tong schrijft
Het is deze vastheid waarop we steunen.
De liefde wordt na de daad bedreven.
Het is hoe je voor elkaar bezwijkt.
Na het kreunen komt weer dat leunen en steunen,
ziet men echt hoe men kijkt.
Jouw diepe wortels hebben me verrijkt.
RV39
Half aangekleed, de huid die je het meest omklemt doorgevend.
Je bent bij mij, je draagt wat je niet loslaten kunt.
Met je vingers de deken die je blust wevend.
Je kneedt de tijd, schuifelt, de dans die nooit verblijdt.
Je groeit, onzichtbaar, de plant die met de wortels graaft.
Steeds dieper de kilte zoeken, het licht verblindt.
Je bleke ogen kleuren mee met je schroeiende huid.
Ook in jou graven de wortels, het bloeien van een kind.
Je staat hier voor mij
Onbewogen, tegen de wind in leunend.
Letter voor letter, je tong schrijft
Het is deze vastheid waarop we steunen.
De liefde wordt na de daad bedreven.
Het is hoe je voor elkaar bezwijkt.
Na het kreunen komt weer dat leunen en steunen,
ziet men echt hoe men kijkt.
Jouw diepe wortels hebben me verrijkt.
RV39
Laat me
Je spiegelt de zee, moeder van het leven
Je vergiet wrijvend haar zand
Je vergeeft de heuvels hun greep.
Je bouwt je kelders in je schuilen
Je bleekt de zon met schrijvend huilen
Je vergaat tot het stof dat het krijt je geeft.
Laat me in je ogen
Laat me je ogen
Laat me
De plaag bestaat niet
We vreten enkel het dier
dat er het 'best' uitziet
We zieken onszelf
Sterven gerief-lijk
Wenen met elkaar mee.
Laat me in je ogen
Laat me je ogen
Laat me
Ik sta op en zijg niet meer neer
Ik pols naar mijn handen
Ik vergeef de heuvels hun greep
Ik vergiet wrijvend haar zand
Ik spiegel je, moeder, je leeft
Je blik voor eeuwig op de zee.
Laat me in je ogen
Laat me je ogen
Laat me
RV39
Je vergiet wrijvend haar zand
Je vergeeft de heuvels hun greep.
Je bouwt je kelders in je schuilen
Je bleekt de zon met schrijvend huilen
Je vergaat tot het stof dat het krijt je geeft.
Laat me in je ogen
Laat me je ogen
Laat me
De plaag bestaat niet
We vreten enkel het dier
dat er het 'best' uitziet
We zieken onszelf
Sterven gerief-lijk
Wenen met elkaar mee.
Laat me in je ogen
Laat me je ogen
Laat me
Ik sta op en zijg niet meer neer
Ik pols naar mijn handen
Ik vergeef de heuvels hun greep
Ik vergiet wrijvend haar zand
Ik spiegel je, moeder, je leeft
Je blik voor eeuwig op de zee.
Laat me in je ogen
Laat me je ogen
Laat me
RV39
woensdag 27 november 2013
In jou steeds die wasem
In jou steeds die wasem,
de waas waaraan ik me warm.
De pleister om de zuilen,
het steunt de ziel en omarmt.
Je spreekt traag vandaag,
loom je letters tellend.
Je spreekt raak vandaag,
je tong smelt in de omklemming.
In jou steeds die wasem,
de zucht als in slapen.
Je bent de harlekijn
waaraan de dromen zich vergapen.
Je spreekt vaag vandaag,
alsof je in de zon verdwijnt.
Je spreekt graag vandaag,
je bent meer dan schone schijn.
In jou steeds die wasem.
Eb en vloed spoelen je woorden.
Je geeuw gaapt als de fles,
wiens echo we galmend horen.
RV39
de waas waaraan ik me warm.
De pleister om de zuilen,
het steunt de ziel en omarmt.
Je spreekt traag vandaag,
loom je letters tellend.
Je spreekt raak vandaag,
je tong smelt in de omklemming.
In jou steeds die wasem,
de zucht als in slapen.
Je bent de harlekijn
waaraan de dromen zich vergapen.
Je spreekt vaag vandaag,
alsof je in de zon verdwijnt.
Je spreekt graag vandaag,
je bent meer dan schone schijn.
In jou steeds die wasem.
Eb en vloed spoelen je woorden.
Je geeuw gaapt als de fles,
wiens echo we galmend horen.
RV39
dinsdag 26 november 2013
Voorop: de fanfare
Het beeld van de velden sterft,
ingegraven in eigen grond.
De kou vuurt z'n pijlen.
De avond verknipt de lont.
Voorop: de fanfare.
Ik aanhoor hun krijsen,
de duw van het balkon.
Na de val volgt steeds geklauter,
weet van knecht tot baron.
Voorop, de fanfare.
Met jou zal ik zingen,
als ik de sleutel krijg.
Onze stemmen weven het laken,
waaronder muziek zich vleit.
Voorop: de fanfare.
RV39
ingegraven in eigen grond.
De kou vuurt z'n pijlen.
De avond verknipt de lont.
Voorop: de fanfare.
Ik aanhoor hun krijsen,
de duw van het balkon.
Na de val volgt steeds geklauter,
weet van knecht tot baron.
Voorop, de fanfare.
Met jou zal ik zingen,
als ik de sleutel krijg.
Onze stemmen weven het laken,
waaronder muziek zich vleit.
Voorop: de fanfare.
RV39
zaterdag 2 november 2013
Glorie
De klaarte vloeit, ze wikt de rimpels in het gordijn.
De vezels tellen. Het mag ietsje meer zijn.
De beenhouwer rekt zich.
De spruit krult op. Kleine dommelein.
De dauw drinkt planten. Het orgel wijn.
Ik trek de ochtend aan de mouw.
Wil je echt niet mee wandelen gaan?
Glorie ligt veelal over de berg.
De veelvraat slikt m'n vragen met kracht.
De kiezen kneden. Brood dat als brood vergaat.
De levenslijn in de knoop. De levensloop.
De prooi gooit zich naar de jacht.
De sterren plukken de nacht.
RV39
De vezels tellen. Het mag ietsje meer zijn.
De beenhouwer rekt zich.
De spruit krult op. Kleine dommelein.
De dauw drinkt planten. Het orgel wijn.
Ik trek de ochtend aan de mouw.
Wil je echt niet mee wandelen gaan?
Glorie ligt veelal over de berg.
De veelvraat slikt m'n vragen met kracht.
De kiezen kneden. Brood dat als brood vergaat.
De levenslijn in de knoop. De levensloop.
De prooi gooit zich naar de jacht.
De sterren plukken de nacht.
RV39
dinsdag 22 oktober 2013
Krijtstof
Je adem blaast het krijtstof op de vensters.
De zon glazuurt.
vergeten staar ik.
De ochtend wint vuur.
Steeds onderweg, je woorden
als kussen in de hals.
De warmte sneeuwt weg
Je dampt naar verre oorden.
Je adem blaast het krijtstof op m'n venster
In kaarslicht: de wassen waas.
Je heft m'n voeten,
spuwt je gensters.
Steeds onderweg, je fluistert.
Schuifelen is je luister.
Aarzel niet, prinses, ik vlei.
Deze bedsprei houdt je gekluisterd.
RV39
De zon glazuurt.
vergeten staar ik.
De ochtend wint vuur.
Steeds onderweg, je woorden
als kussen in de hals.
De warmte sneeuwt weg
Je dampt naar verre oorden.
Je adem blaast het krijtstof op m'n venster
In kaarslicht: de wassen waas.
Je heft m'n voeten,
spuwt je gensters.
Steeds onderweg, je fluistert.
Schuifelen is je luister.
Aarzel niet, prinses, ik vlei.
Deze bedsprei houdt je gekluisterd.
RV39
dinsdag 4 juni 2013
Celine II
Ook al zag ik je reeds lang niet meer,
Je bent dichtbij, ik wandel voorbij.
Je hangt als je kleren aan de wasdraad,
ik die erdoorheen waad.
Ik hengel naar je stem,
fluisterend, de baren van de weidse wereld,
Je zucht met de wind.
M'n lippen drogen op, m'n kind.
Ik streel je mouw,
Ik voel de vezel van ons samen zijn.
M'n vingers hebben de stof geheeld.
Niemand die deze bijeenkomst deelt.
We verstoppen ons in onszelf,
schuren over elkaar heen,
Je waaien is ons varen,
Ons vluchten brengt ons de vruchten van weleer.
De dagen zijn als grijsaards met botte stokken
Zwaaiend, graaiend naar wie zich te dicht begeeft.
Hier, jij en ik, de waslijn in de hand,
keren nooit meer weder naar dit oude land.
Je bent dichtbij, ik wandel voorbij.
Je hangt als je kleren aan de wasdraad,
ik die erdoorheen waad.
Ik hengel naar je stem,
fluisterend, de baren van de weidse wereld,
Je zucht met de wind.
M'n lippen drogen op, m'n kind.
Ik streel je mouw,
Ik voel de vezel van ons samen zijn.
M'n vingers hebben de stof geheeld.
Niemand die deze bijeenkomst deelt.
We verstoppen ons in onszelf,
schuren over elkaar heen,
Je waaien is ons varen,
Ons vluchten brengt ons de vruchten van weleer.
De dagen zijn als grijsaards met botte stokken
Zwaaiend, graaiend naar wie zich te dicht begeeft.
Hier, jij en ik, de waslijn in de hand,
keren nooit meer weder naar dit oude land.
Abonneren op:
Posts (Atom)